[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M. Luijendijk),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
(gemachtigde: mr. M. Weerman).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 26 april 2024 waarin de staatssecretaris aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) heeft opgelegd. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, via een beeldbelverbinding, bijgestaan zijn gemachtigde, en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of het opleggen van de maatregel van bewaring rechtmatig is. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Het beroep is ongegrond. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden die door de staatssecretaris in de maatregel van bewaring zijn opgenomen, inhoudelijk niet betwist. De gronden zijn gelet op het bepaalde in artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat.
Bestaat er voldoende zicht op uitzetting naar Algerije?
5. Volgens eiser bestaat er in zijn geval geen zicht op uitzetting naar Algerije. Eiser is bekend met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 6 mei 2024. Volgens eiser verschilt zijn situatie echter van de zaken waarin de Afdeling uitspraak heeft gedaan, omdat eiser geen (kopie) van een Algerijns identiteitsbewijs heeft en de Afdeling zich niet heeft uitgelaten over ongedocumenteerde vreemdelingen. Voor deze categorie geldt dan ook onverminderd dat er geen zicht is op uitzetting, aldus eiser.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De Afdeling is in de genoemde uitspraak tot het oordeel gekomen dat er vanaf december 2023 voldoende concrete aanknopingspunten zijn om te verwachten dat vreemdelingen met de Algerijnse nationaliteit binnen een redelijke termijn met een door de Algerijnse autoriteiten afgegeven laissez-passer (lp) kunnen worden uitgezet naar Algerije. Anders dan eiser leest de rechtbank in de uitspraak niet dat de Afdeling onderscheid maakt tussen gedocumenteerde en ongedocumenteerde vreemdelingen. Zo heeft de Afdeling onder meer meegewogen dat de staatssecretaris afspraken heeft gemaakt met de Algerijnse consul dat er maandelijks vermoedelijk Algerijnse vreemdelingen aan hem worden gepresenteerd. Niet gebleken is dat ongedocumenteerde vreemdelingen (zoals eiser) niet bij voorbaat zijn uitgesloten van een presentatie aan de consul. Uit de rechtspraak blijkt dat sinds december 2023 de mogelijkheid bestaat om Algerijnse vreemdelingen te identificeren op basis van dacty. Op de zitting heeft de staatssecretaris eveneens op de presentatie op basis van dacty gewezen en toegelicht dat in januari 2024 van zes ongedocumenteerden de Algerijnse nationaliteit is bevestigd en afgifte van een lp is toegezegd.
Er is dan ook geen reden om aan te nemen dat in het geval van eiser geen lp zal worden verstrekt omdat hij niet zou beschikken over een (kopie) identiteitsdocument. Uit het voorgaande volgt dat geen aanleiding bestaat om te veronderstellen dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije ontbreekt. Er zijn geen indicaties dat dit in het geval van eiser anders is.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de staatssecretaris en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor de maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de inbewaringstelling van eiser rechtmatig is en de staatssecretaris geen schadevergoeding aan eiser hoeft te betalen. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Graaf, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.