RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2024 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/2599 PW
gemachtigde: mr. S. Salhi,
en
gemachtigde: mr. J.M.N. Packbier.
Procesverloop
Bij besluit van 11 november 2021 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor bijzondere bijstand in het kader van de Participatiewet (Pw) voor de kosten van woninginrichting afgewezen.
Bij besluit van 28 maart 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 december 2023. Eiser en zijn gemachtigde zijn op zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde
Overwegingen
Eiser ontvangt, laatstelijk sinds 12 augustus 2021, een bijstandsuitkering.
Eiser heeft op 26 oktober 2021 bijzondere bijstand aangevraagd. Verweerder heeft de aanvraag van eiser op 11 november 2021 afgewezen.
2. Verweerder heeft de bezwaren van eiser tegen deze afwijzing ongegrond verklaard. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de gestelde kosten niet noodzakelijk zijn. Verder is geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan eiser niet in staat is geweest om voor de kosten te reserveren dan wel in financiering te voorzien. Het ontbreken van voldoende reserveringsruimte in verband met schulden is geen bijzondere omstandigheid die in het individuele geval verlening van bijzondere bijstand rechtvaardigt.
Eiser heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat verweerder te weinig gewicht heeft toegekend aan zijn individuele omstandigheden en dat deze omstandigheden aangemerkt dienen te worden als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 35, eerste lid, van de Pw. Hij is al jaren afhankelijk van de bijstand en is de afgelopen tweeënhalf jaar drie keer verhuisd waarvan de laatste verhuizing noodzakelijk was. De huidige huurwoning is niet leefbaar. Daarnaast kampt hij met schulden die hij maandelijks moet aflossen waardoor hij geen reserveringsruimte heeft.
Ter zitting heeft eiser toegelicht dat de noodzaak voor de door eiser aangevraagde voorzieningen samenhangt met zijn verhuizing. Omdat hij de duurzame gebruiksgoederen in de oude huurwoning moest achterlaten, had hij nieuwe spullen nodig. Het gebrek aan de duurzame gebruiksgoederen is dus niet het gevolg van slijtage. Het gaat om een bank, een eethoek, een salontafel, een kast/vitrinekast, een televisie, een eenpersoonsbed, een matras, een kledingkast, een kookplaat, een oven/magnetron en de kosten voor stoffering (behang, trapbekleding, vloerbedekking en gordijnen). De aanvraag ziet, anders dan eerder gesteld, niet op een koelkast.
Beoordeling
Juridisch kader
Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Pw geldt dat een alleenstaande recht op bijzondere bijstand heeft voor zover de alleenstaande niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit (onder meer) de bijstandsnorm en de individuele inkomenstoeslag, bedoeld in artikel 36.
Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat indien algemeen noodzakelijke bestaanskosten door bijzondere omstandigheden niet kunnen worden voldaan uit het inkomen op bijstandsniveau, dit reden kan zijn om bijzondere bijstand te verlenen. De omstandigheid dat de betrokkene al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd of om die kosten gespreid te betalen, is een aspect dat in dit kader moet worden beoordeeld.
Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Beleidsregels minimavoorzieningen en bijzondere bijstand gemeente Den Haag 2015 (de beleidsregels) kan voor algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan geen bijzondere bijstand worden verstrekt. Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de beleidsregels kan bijzondere bijstand worden verleend voor algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan als door bijzondere omstandigheden reservering achteraf en vooraf niet mogelijk is.
De rechtbank is van oordeel dat de gevraagde kosten algemene kosten van bestaan zijn. Deze kosten dienen in beginsel te worden voldaan uit het inkomen op bijstandsniveau. Voor toekenning van bijzondere bijstand in deze gevallen dienen de kosten noodzakelijk te zijn.
Naar het oordeel van de rechtbank is de noodzakelijkheid van de kosten niet gebleken. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de verhuizing naar een nieuwe huurwoning, als gevolg waarvan hij de aanvraag voor bijzondere bijstand voor inrichtingskosten heeft gedaan, noodzakelijk was. In het bijzonder is niet gebleken dat sprake was van urgentie bij de verhuizing. Dat eiser de keuze heeft gemaakt te verhuizen zonder dat hij genoeg had gereserveerd om de bedoelde kosten te kunnen voldoen, komt daarom voor rekening van eiser.
De rechtbank overweegt voorts dat het ook overigens niet aannemelijk is geworden dat de schuldensituatie van eiser dusdanig ernstig was dat hij binnen zijn inkomen op bijstandsniveau onvoldoende reserveringsruimte had. Hierbij is van belang dat de schulden die eiser stelt te hebben, schulden bij familieleden en vrienden betreffen. Daarnaast heeft eiser tijdens zitting laten weten dat de afgelopen twee jaar de aflossingsverplichting van zijn schulden bij het CJIB en het GNN niet is gerealiseerd.
5. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht de aanvraag, bij gebreke van noodzakelijkheid, heeft afgewezen. Het beroep is ongegrond
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.G. Meeder, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2024.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.