[eiseres] BV, uit [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr.drs. A.C.M. Brom),
en
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, verweerder
(gemachtigde: mr. A.R. Alladin).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de vaststelling van een dwangsom wegens het niet tijdig nemen van een besluit op een herzieningsverzoek.
Bij besluit van 23 juni 2023 heeft verweerder het bedrag van de dwangsom vastgesteld op € 230,-. Met het bestreden besluit van 5 september 2023 heeft verweerder het bezwaar van eiseres (gedeeltelijk) gegrond verklaard en het bedrag van de dwangsom vastgesteld op € 253,-.
Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en heeft hiertegen beroep ingesteld. Verweerder heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 24 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en namens verweerder zijn gemachtigde en mr. M.J.H. van der Burgt.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Op 28 juni 2019 heeft verweerder eiseres een boete van € 300,- opgelegd wegens een overtreding van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Eiseres heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend waardoor deze formele rechtskracht heeft gekregen. Op 4 februari 2023 heeft eiseres een verzoek ingediend tot herziening van dit besluit. Eiseres heeft op 26 mei 2023 per mail een ingebrekestelling gestuurd. Eiseres heeft deze eveneens per post verstuurd en deze is door verweerder ontvangen op 1 juni 2023. Verweerder heeft deze datum aangemerkt als het moment van ontvangst omdat het versturen van ingebrekestellingen enkel is opengesteld per post of via het digitale formulier op de website. Voor de berekening van de dwangsom is verweerder uitgegaan van de periode van 15 juni 2023 tot en met 26 juni 2023, de dag waarop het besluit op het herzieningsverzoek naar de gemachtigde van eiseres is gestuurd. Verweerder heeft de dwangsom conform deze berekening bij het bestreden besluit vastgesteld op € 253,-.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Ze wijst erop dat het om technische redenen niet goed mogelijk is om haar gemachtigde via het digitale formulier op de website van de RVO een ingebrekestelling te laten versturen. Bovendien is het niet wenselijk dat een separate volmacht wordt verlangd om digitaal namens eiseres ingebrekestellingen te kunnen versturen. Zodoende resteert slechts de mogelijkheid om de ingebrekestelling per mail in te dienen, in dit geval naar het e-mailadres [e-mailadres] . Dit betreft geen algemeen e-mailadres, maar het e-mailadres van de administratie van Juridische Zaken, een specifiek onderdeel van verweerder dat zich bezighoudt met bezwaren en ingebrekestellingen.
Eiseres stelt dat zij in het verleden in andere procedures ook meerdere ingebrekestellingen naar dit e-mailadres heeft gestuurd. Verweerder heeft daarbij nooit te kennen gegeven deze niet in behandeling te nemen. Ook in deze zaak is dit niet gebeurd. Daarbij wijst eiseres erop dat verweerder in een andere procedure op 24 oktober 2019 per mail heeft aangegeven dat stukken bestemd voor de afdeling Juridische Zaken in de toekomst naar dit e-mailadres kunnen worden verstuurd. Eiseres mocht er dan ook op vertrouwen dat zij de ingebrekestelling op 26 mei 2023 op correcte wijze naar verweerder had verstuurd. Dit geldt te meer nu verweerder in het primaire besluit bij de berekening van de dwangsom ook van deze ontvangstdatum is uitgegaan. Verweerder is dan ook een dwangsom verschuldigd vanaf de periode van 10 juni 2023 tot en met 26 juni 2023.
Wat zijn de regels?
4. Op grond van artikel 4:17, derde lid, van de Awb is de eerste dag waarover een dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
Op grond van artikel 2:15, eerste lid, van de Awb kan, voor zover hier van belang, een bericht elektronisch naar een bestuursorgaan worden verzonden voor zover het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg geopend is. Het bestuursorgaan kan nadere eisen stellen aan het gebruik van de elektronische weg. In artikel 2:15, tweede en derde lid, van de Awb is neergelegd in welke gevallen het bestuursorgaan elektronisch verschafte gegevens en bescheiden dan wel een elektronisch verzonden bericht kan weigeren. Op grond van artikel 2:15, vierde lid, van de Awb deelt het bestuursorgaan een weigering op grond van dit artikel zo spoedig mogelijk aan de afzender mede.
Een bestuursorgaan kan, voor zover het dat wenselijk acht, de elektronische weg openen voor één of meer categorieën van berichten, zodat het zijn organisatie en werkprocessen vooraf afdoende gereed kan maken voor het afhandelen van elektronisch ingediende berichten van de desbetreffende categorie. Daarbij is differentiatie mogelijk. Hieruit volgt dat een bericht slechts langs elektronische weg bij een bestuursorgaan kan worden ingediend indien voldoende duidelijk is dat deze weg voor de desbetreffende berichtencategorie is opengesteld.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Gelet op het voorgaande moet verweerder uitdrukkelijk de elektronische weg hebben opengesteld voor het indienen van een ingebrekestelling. Daar is de rechtbank niet van gebleken. In het bestreden besluit heeft verweerder gewezen op een link naar de website van de RVO ( [link] ). Daar staat duidelijk vermeld dat ingebrekestellingen alleen per post of via het digitale formulier op de website kunnen worden ingediend en dat deze per mail niet in behandeling worden genomen. Indien eiseres voornemens was om de ingebrekestelling op elektronische wijze in te dienen, had het dus op haar weg gelegen om het digitale formulier op de website van het RVO in te vullen. Dat haar gemachtigde moeilijkheden ondervond om dit formulier in te vullen, maakt dit niet anders. In een dergelijke situatie ligt het immers voor de hand dat de gemachtigde van eiseres contact met verweerder opneemt. Verweerder had de gemachtigde van eiseres dan kunnen helpen met het invullen van het digitale formulier. Het is de rechtbank niet gebleken dat de gemachtigde van eiseres hiertoe enige actie heeft ondernomen. Dit kan dan ook niet in de risicosfeer van verweerder worden geplaatst. Het betoog van eiseres dat het invullen van het digitale formulier niet wenselijk zou zijn, heeft verweerder gelet op het subjectieve karakter hiervan niet bij zijn oordeel hoeven betrekken.
Eiseres wordt evenmin gevolgd in haar betoog dat verweerder haar een herstelmogelijkheid had moeten bieden in het geval de ingebrekestelling per mail niet in behandeling zou worden genomen. In de mail met de ingebrekestelling van 26 mei 2023 wordt immers de aankondiging gedaan dat de ingebrekestelling ook per post zal worden verstuurd. Verweerder mocht er dan ook vanuit gaan binnen afzienbare tijd over een geldige ingebrekestelling van eiseres te beschikken.
Ten aanzien van het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel, overweegt de rechtbank het volgende. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat eiseres in het verleden altijd zowel per post als per mail ingebrekestellingen heeft gestuurd, maar dat in al deze gevallen al het maximale bedrag van de dwangsom was bereikt. Het was voor de berekening van de dwangsom dan ook niet relevant van welke aanvangsdatum werd uitgegaan. De stelling van eiseres dat verweerder in het verleden ingebrekestellingen wél per mail heeft aanvaard, wordt gelet op het voorgaande dan ook niet gevolgd. Uit de door eiseres aangehaalde mail van 24 oktober 2019 kan evenmin worden afgeleid dat ingebrekestellingen per mail kunnen worden gestuurd. Nog afgezien van het feit dat de afdeling Juridische Zaken pas in beeld komt in de bezwaarfase en de procedure van eiseres zich nog bevond in de primaire fase, wordt in deze mail immers niets gezegd over het versturen van ingebrekestellingen. Daarbij mocht eiseres geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen aan het feit dat verweerder in het primaire besluit nog uitging van 26 mei 2023 als aanvangsdatum voor de berekening van de dwangsom. In de bezwaarprocedure vindt immers een volledige heroverweging plaats waarbij de feiten opnieuw kunnen worden vastgesteld. Een eerder gemaakte fout hoeft dan niet te worden herhaald. Daarbij is er geen sprake van reformatio in peius, nu in het bestreden besluit uiteindelijk een hogere dwangsom is vastgesteld. Gelet op het voorgaande slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel niet.
Het bovenstaande in onderling verband bezien brengt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder bij de berekening van de dwangsom terecht is uitgegaan van de periode van 15 juni 2023 tot en met 26 juni 2023. Verweerder heeft de dwangsom van € 253,- dan ook op goede gronden vastgesteld.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2024.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.