ECLI:NL:RBDHA:2024:8634

ECLI:NL:RBDHA:2024:8634, Rechtbank Den Haag, 29-05-2024, NL24.17079

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 29-05-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer NL24.17079
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2025:1109
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 8 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Dublin Cyprus. Onvoldoende gemotiveerd waarom ten aanzien van Cyprus nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Beroep gegrond. PKV.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.17079

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),

en

(gemachtigde: mr. L.S. Hartog).

Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Cyprus verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 16 mei 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. M.R.F. Berte als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2002 en de Somalische nationaliteit te hebben.

2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Cyprus een verzoek om terugname gedaan. Cyprus heeft dit verzoek aanvaard.

3. Eiser voert aan dat ten aanzien van Cyprus niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, en voert daartoe het volgende aan. Er is sprake van aan het systeem gerelateerde structurele tekortkomingen ten aanzien van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Cyprus. Dit blijkt ook uit verschillende uitspraken van deze rechtbank en de daarin genoemde rapporten. Daarnaast is er de update van 2023 van het AIDA-rapport. Verder heeft eiser een internetartikel overgelegd, waaruit volgt dat het aantal asielzoekers in Cyprus in januari 2024 38,3% is gestegen ten opzichte van het aantal in januari 2023. Het is duidelijk dat het grootste deel van de asielzoekers op Cyprus geen gebruik kan maken van de reguliere opvangvoorzieningen. Het hoge aantal asielzoekers is van negatieve invloed op de mogelijkheid om particuliere woonruimte te huren, nu de druk op de particuliere huisvesting daardoor verder zal toenemen. Dit zal leiden tot een stijging van de huurprijzen, wat maakt dat de maandelijkse bijdrage van de Cypriotische autoriteiten voor de huur van € 100 veel te laag is. Gelet hierop loopt hij bij overdracht aan Cyprus een reëel risico op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Niet in geschil is dat Cyprus verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag.

5. Verweerder mag er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel vanuit gaan dat Cyprus zijn verplichtingen nakomt. De Afdeling heeft op 9 februari 2021 nog geoordeeld dat verweerder op basis van de toen bekende informatie nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Cyprus mocht uitgaan. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Eiser is daarin geslaagd.

6. De verschillende uitspraken en de daarin genoemde rapporten waar eiser naar heeft verwezen, vormen een voldoende aanknopingspunt dat Cyprus ten aanzien van Dublinclaimanten, zoals eiser, zijn verplichtingen niet of in ieder geval in onvoldoende mate nakomt. Uit onder andere de AIDA-rapporten van april 2022 en mei 2024 blijkt dat de situatie is verslechterd ten opzichte van de situatie ten tijde van de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2021. Zo is in het opvangcentrum [plaats 1] , waar voornamelijk Dublinclaimanten worden opgevangen, sprake van een (structureel) capaciteitsgebrek. Het centrum in [plaats 1] gaat uitbreiden en de capaciteit zal worden verhoogd naar 600. Gedurende deze ontwikkeling is de capaciteit echter juist verlaagd. Daarnaast was het opvangcentrum met name gericht op opvang bieden aan vrouwen en gezinnen. Gesteld noch gebleken is dat deze doelgroepen gewijzigd zijn. Anders dan de Afdeling destijds in haar uitspraak heeft geoordeeld biedt het recentere AIDA-rapport van mei 2024 aanleiding om aan te nemen dat eiser ook geen toegang zal verkrijgen tot de andere opvangcentra ( [plaats 2] en [plaats 3] ). Het opvangcentrum in [plaats 3] is immers per juli 2023 gesloten. De opvang in [plaats 2] zou uitbreiden en om dat te realiseren zijn asielzoekers overgeplaatst naar [plaats 1] . Zelfs als eiser wel in een van deze twee opvangcentra terecht zou kunnen, geldt voor deze opvangcentra dat de leefomstandigheden als ondermaats worden beschreven. Verder acht de rechtbank van belang dat uit het AIDA-rapport blijkt dat er op Cyprus een groot tekort aan opvangplekken voor alle asielzoekers bestaat. Eind 2023 waren er minder dan 3.000 opvangplekken beschikbaar voor de 25.000 asielzoekers die op Cyprus verbleven. Met de aangehaalde informatie heeft eiser voldoende aannemelijk gemaakt dat na overdracht aan Cyprus aan hem geen reguliere opvang zal worden verleend die voldoet aan de minimumeisen.

7. Er is op korte termijn geen of onvoldoende verbetering te verwachten in de reguliere opvangvoorzieningen. Dit betekent dat eiser zal zijn aangewezen op particuliere opvang, waarbij hij zal moeten concurreren met andere asielzoekers, die zich in toenemende aantallen melden op Cyprus. Bovendien blijkt uit het AIDA-rapport dat de mogelijkheden om met een financiële bijdrage van de overheid zelf geschikte opvang in particuliere woonruimte te regelen zeer gering zijn. Het is nog altijd onvoldoende duidelijk hoelang het duurt om deze bijdrage te regelen en zeker ook of deze bijdrage toereikend is. Zoals eiser terecht stelt zullen de huurprijzen van particuliere woonruimtes hoogstwaarschijnlijk stijgen, gelet op de toestroom van asielzoekers op Cyprus die eveneens op deze woonruimtes zijn aangewezen. Hierdoor is nog minder aannemelijk dat hij met de maandelijkse bijdrage van €100 opvang kan vinden die voldoet aan de minimumeisen om een menswaardig bestaan te hebben.

8. Vanwege de hiervoor genoemde gebreken, kan van eiser niet worden verwacht dat hij eerst klaagt bij de Cypriotische autoriteiten over het gebrek aan opvang.

9. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd, zodat het besluit in strijd is genomen met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De overige gronden van beroep behoeven daarom geen bespreking.

10. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank ziet geen ruimte om zelf in de zaak te voorzien noch aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dit naar verwachting de behandeling van de zaak niet zal bespoedigen. De rechtbank zal verweerder daarom opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van wat de rechtbank heeft overwogen.

11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. K.M. de Jager

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?