2. ECLI:NL:RVS:2023:3411.
3 ECLI:EU:C:2024:195.
4 ECLI:NL:RBDHA:2024:4267.
5 ECLI:NL:RVS:2022:1042 en ECLI:NL:RVS:2022:1043.
hem verrichte onderzoek ten aanzien van Kroatië uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
8. De rechtbank ziet in de informatie die eiser heeft aangehaald geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. De door eiser overgelegde brief van CPS van 19 januari 2024 schetst namelijk geen ander beeld van de situatie van Dublinclaimanten in Kroatië dan de informatie die bij de Afdelingsuitspraak van 13 september 2023 is betrokken. Een standpunt in die brief is dat niet kan worden uitgesloten dat Dublinclaimanten bij overdracht aan Kroatië slachtoffer worden van pushbacks, maar de brief bevat geen concrete aanknopingspunten dat dit ook daadwerkelijk gebeurt. Ook uit de informatie van BVMN, HRW en AIDA blijkt niet dat Dublinterugkeerders daadwerkelijk te maken krijgen met pushbacks, bijvoorbeeld als zij eerder een uitzettingsbevel hadden gekregen. Daaruit blijkt ook niet dat Dublinterugkeerders in het geheel geen opvang krijgen, of dat de gebreken in de opvang zo ernstig zijn dat sprake is van structurele tekortkomingen.
9. De rechtbank is verder van oordeel dat eiser met zijn eigen verklaringen over zijn ervaringen in Kroatië niet aannemelijk gemaakt dat hij na overdracht een reëel risico loopt op een behandeling die strijdig met artikel 3 van het EVRM of 4 van het Handvest. Daaruit blijkt namelijk niet dat eiser na overdracht als Dublinterugkeerder in een vergelijkbare situatie terecht zal komen. De Kroatische autoriteiten hebben met het claimakkoord gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiser zullen behandelen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Als eiser toch problemen ondervindt, mag van hen worden verwacht dat hij klaagt bij de Kroatische autoriteiten. Er is niet gebleken dat eiser dit heeft geprobeerd of dat dit voor hem onmogelijk zal zijn.
In de huidige stand van zaken, die niet wezenlijk afwijkt van de informatie uit de Afdelingsuitspraak van 13 september 2023, ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat de staatssecretaris nader onderzoek had moeten doen naar de situatie van Dublinterugkeerders in Kroatië. Er is geen sprake van een motiveringsgebrek of een onzorgvuldige voorbereiding van het besluit. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 17 van de Dublinverordening
10. Eiser voert aan dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in zijn traumatische ervaringen in Kroatië geen aanleiding is gezien om de asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in behandeling te nemen. Eiser is zeer angstig bij het vooruitzicht dat hij wellicht wordt overgedragen aan de Kroatische autoriteiten. Eiser volgt niet dat hij met stukken zou moeten onderbouwen dat hij (ernstige) psychische gevolgen ervaart van zijn ervaringen in Kroatië. Verder is in het Dublingehoor weinig doorgevraagd naar zijn ervaringen en wat die met hem hebben gedaan.
10. De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris voldoende heeft gemotiveerd waarom in de ervaringen van eiser geen aanleiding is gezien om de asielaanvragen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in behandeling te nemen. De staatssecretaris heeft verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 13 september 2023⁶, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat er geen aanwijzingen zijn dat Dublinclaimanten slachtoffer worden van pushbacks. Eiser heeft geen informatie aangeleverd waaruit blijkt dat daar nu anders over gedacht moet worden, en heeft ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat hij na overdracht aan Kroatië in een vergelijkbare situatie terecht zullen komen. Tegen deze
6. ECLI:NL:RVS:2023:3411.
achtergrond mocht de staatssecretaris overwegen dat niet is gebleken dat de gebeurtenissen in Kroatië voor eiser zodanig ernstige (psychische) gevolgen hebben gehad, dat terugkeer naar Kroatië onevenredig hard zou zijn. Eiser heeft in het Dublingehoor ook voldoende gelegenheid gekregen om te vertellen over zijn ervaringen. Ook is niet gebleken dat de zaken waar eiser naar heeft verwezen, in ernst en gevolgen vergelijkbaar zijn met wat eiser heeft verteld over de gevolgen die de bejegening in Kroatië voor hem hebben gehad. Er is geen sprake van een motiveringsgebrek of een onzorgvuldige voorbereiding van het besluit. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
26 april 2024
Documentcode: [documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.