RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.24202
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 28 februari 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 18 juni 2024 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt de Tunesische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 2005.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt door enkel schriftelijk en in het algemeen te rappelleren en genoegen te nemen met het uitblijven van een reactie van de Tunesische autoriteiten. Gelet op de beperkte informatie die de Tunesische autoriteiten hebben gekregen zou na bijna vier maanden het onderzoek allang moeten zijn afgerond. Dat eiser zelf niet wil terugkeren naar Tunesië en daar ook geen moeite voor doet, maakt nog niet dat verweerder achterover mag leunen en kan wachten op een lp, terwijl verweerder weet dat een lp niet meer zal worden afgegeven. Gelet daarop meent eiser dat een reëel zicht op uitzetting is binnen redelijke termijn ontbreekt en onvoldoende voortvarend wordt gehandeld aan de uitzetting van eiser.
5. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Uit het voortgangsrapport blijkt dat op 20 februari 2024 een aanvraag voor een lp is verstuurd naar de Tunesische autoriteiten. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten gegeven voor het oordeel dat niet langer sprake is van zicht op uitzetting. De enkele omstandigheid dat op de lp-aanvraag en het rappel van verweerder nog niet is gereageerd door de Tunesische autoriteiten, is daarvoor in dit stadium onvoldoende. Er bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de Tunesische autoriteiten geen lp zullen afgeven. Eiser kan het traject bespoedigen door zijn medewerking te verlenen, wat hij verzuimt. Zo volgt uit het voortgangsrapport dat eiser niet wilt meewerken aan zijn terugkeer naar Tunesië. Nu eiser niet volledig en actief meewerkt aan zijn uitzetting, kan niet gesteld worden dat geen zicht op uitzetting bestaat. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
6. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser werkt. Sinds het sluiten van het onderzoek op 6 mei 2024, heeft verweerder twee keer gerappelleerd over de aanvraag voor een lp bij de Tunesische autoriteiten. Daarnaast heeft verweerder blijkens de voortgangsrapportage vertrekgesprekken gevoerd met eiser op 8 april, 6 mei en 4 juni 2024. Verweerder werkt met deze uitzettingshandelingen voldoende voortvarend aan eisers uitzetting naar Tunesië.
7. Ook de ambtshalve toetsing leidt niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 24 juni 2024 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.