ECLI:NL:RBDHA:2025:1071

ECLI:NL:RBDHA:2025:1071, Rechtbank Den Haag, 29-01-2025, NL25.1662

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 29-01-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer NL25.1662
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 2 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0011823 BWBR0011825

Samenvatting

bewaring, grondslagwijziging niet binnen 48 uur, voortvarend handelen, ongegrond.

Uitspraak

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.1662

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),

en

(gemachtigde: mr. L. Hartog).

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b en onder c, van de Vw opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft op 13 januari 2025 de maatregel van bewaring opgeheven in verband met een asielaanvraag van eiser.

Eiser heeft desgevraagd ingestemd met een schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op 16 januari 2025 de gronden van het beroep ingediend. Op 17 januari 2025 heeft verweerder een reactie op de gronden van het beroep ingediend. Op 22 januari 2022 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Gambiaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 2000.

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

Grondslagwijziging

3. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld omdat de maatregel van bewaring niet binnen 48 uur is omgezet. Eiser werd in bewaring genomen vanuit een situatie van vrijheidsbeneming zonder een wettelijke grondslag. De maatregel van bewaring moet daarom worden opgeheven. Subsidiair meent eiser dat aan hem in ieder geval één dag schadevergoeding moet worden toegekend.

4. In dit beroep wordt alleen de rechtmatigheid beoordeeld van de maatregel die op 13 januari 2025 aan eiser is opgelegd. Dat de eerder op 11 december 2024 opgelegde maatregel van bewaring volgens eiser niet tijdig is omgezet staat in deze procedure niet ter beoordeling. Eiser had dit kunnen aanvoeren door bijvoorbeeld een vervolgberoep in te dienen tegen de maatregel van bewaring van 11 december 2024.

Maatregel van bewaring

5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder ten aanzien van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c van de Vw overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag, wegens het risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen. Tevens heeft verweerder in de maatregel van bewaring overwogen dat eiser (1°) in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2°) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3°) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;

3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:

4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;

4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;

4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

6. Eiser voert aan dat de grondslag artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw ten onrechte aan de maatregel van bewaring ten grondslag is gelegd omdat de identiteit en nationaliteit van eiser niet ter discussie staan. Eiser voert verder aan dat ook de grondslag artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw ten onrechte aan de maatregel van bewaring ten grondslag is gelegd, nu die gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag voor een verblijfsvergunning ook kunnen worden verzameld als eiser in een AZC verblijft. Verweerder heeft ook onvoldoende gemotiveerd dat de situatie van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw noopt tot het opleggen van de maatregel van bewaring. Eiser heeft immers een duidelijk asielmotief naar voren gebracht en heeft zich bij zijn vorige procedures ook langdurig aan zijn meldplicht en andere verplichtingen gehouden. Bovendien is er helemaal geen zicht op uitzetting. Er viel dus in dat verband niets te verijdelen of uit te stellen.

7. Eiser is op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vw in bewaring gesteld. Uit de uitspraak van de Afdeling van 19 oktober 2016 blijkt dat een vreemdeling krachtens artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw in bewaring kan worden gesteld als er voldoende gronden als bedoeld in artikel 5.1b, derde en vierde lid, van de Vb zijn om de maatregel te dragen. Met een voldoende deugdelijke motivering van het bestaan van een risico op onttrekking is volgens de Afdeling gegeven dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, omdat anders die gegevens niet zouden kunnen worden verkregen.

8. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware gronden 3a t/m 3d en de lichte gronden 4a, 4b en 4d die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen, niet heeft betwist. Deze gronden acht de rechtbank feitelijk juist en - in onderlinge samenhang bezien - voldoende om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Dat eiser aangeeft dat de vereiste gegevens voor de asielaanvraag ook kunnen worden verzameld in een AZC doet niets af aan het onttrekkingsgevaar. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef, onder b, van de Vw daarom dragen. Uit het voorgaande volgt dat de maatregel van bewaring terecht berust op artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Wat eiser voor het overige heeft aangevoerd over de grondslag artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en c van de Vw behoeft geen nadere bespreking, omdat dit niet kan leiden tot de conclusie dat de bewaring onrechtmatig is.

Voortvarend handelen

9. Tot slot meent eiser dat er sprake is van onvoldoende voortvarend handelen door verweerder nu na eisers asielaanvraag van 10 januari 2025 tot op heden niets is gebeurd.

10. De beroepsgrond slaagt niet. Uit het dossier blijkt immer dat de regievoerder van de Dienst Terugkeer en Vertrek heeft laten weten dat op 12 januari 2025 een planopdracht is gegeven om eiser op 23 januari 2025 te horen omtrent zijn asielaanvraag. Hiermee wordt voldoende voortvarend gehandeld.

Ambtshalve toets

11. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring in de te beoordelen periode op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie

12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 29 januari 2025 door mr. S.E. van de Merbel, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?