ECLI:NL:RBDHA:2025:10794

ECLI:NL:RBDHA:2025:10794, Rechtbank Den Haag, 19-06-2025, NL25.15293 T

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 19-06-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer NL25.15293 T
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 5 zaken
Aangehaald door 2 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0006358

Samenvatting

Tussenuitspraak. Asielaanvraag ingewilligd. Geschil over tenaamstelling en leeftijdsvaststelling. Volgens de minister mag worden uitgegaan van persoonsgegevens uit de UNHCR registratie, maar zij is niet uitgegaan van de naam uit deze registratie. Deze tegenstrijdigheid is een motiveringsgebrek. De rechtbank stelt de minister in de gelegenheid dit te herstellen middels een bestuurlijke lus.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.15293 T

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. M.R. Verdoner),

en

(gemachtigde: mr. R.M. Koning).

1. In deze tussenuitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat de minister de tenaamstelling van de asielvergunning van eiser niet deugdelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank stelt de minister in de gelegenheid om dit gebrek te herstellen.

Eiser heeft aan de rechtbank het bestreden besluit van 18 maart 2025 ter beoordeling voorgelegd. In dit besluit heeft de minister de asielaanvraag van eiser ingewilligd en aan hem een tijdelijke vergunning verleend. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld, omdat hij het niet eens is met de naam en de leeftijd waarvan de minister uitgaat.

Onder 2. staat het procesverloop in dit geding. Onder 3. staan de feiten en omstandigheden die van belang zijn. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 22 augustus 2023 een asielaanvraag ingediend. Met het bestreden besluit van 18 maart 2025 heeft de minister de aanvraag ingewilligd.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, een tolk, een vertegenwoordiger van NIDOS namens de voogd van eiser en de gemachtigde van de minister. Het onderzoek is op zitting gesloten.

Partijen hebben na zitting nadere schriftelijke reacties ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek daarom heropend om deze reacties te betrekken in haar oordeel. Aansluitend is het onderzoek gesloten op 18 juni 2025.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

3. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij minderjarig is en geboren is op [datum 1] . Eiser heeft verder verklaard dat hij Eritrea rond 2020 illegaal is uitgereisd naar Ethiopië, waar hij kort in een UNHCR vluchtelingenkamp heeft verbleven, en tot anderhalf jaar in de hoofdstad Addis Abeba. Tot slot heeft eiser verklaard dat hij bij terugkeer te vrezen heeft voor oproeping voor militaire dienst.

Eiser is geschouwd door twee agenten van de Vreemdelingenpolitie (AVIM) en vervolgens door een hoormedewerker van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Op basis van het uiterlijk en het gedrag van eiser, heeft de AVIM geconcludeerd dat eiser evident meerderjarig is, en de IND dat getwijfeld wordt aan de gestelde minderjarigheid.

Naar aanleiding van de conclusies van de schouwen heeft de minister de Italiaanse autoriteiten om informatie verzocht, omdat eiser daar eerder is geweest. Die autoriteiten hebben bericht dat eiser aldaar is geregistreerd met de geboortedatum [datum 1] , maar dat er geen medisch leeftijdsonderzoek heeft plaatsgevonden of documenten aan ten grondslag liggen.

Vervolgens heeft de minister, na toestemming van eiser, de UNHCR verzocht om onderzoek te verrichten in Ethiopië, om de persoonsgegevens van eiser te verifiëren. UNHCR Nederland heeft op 27 februari 2025 bericht dat zij de registratie van eiser in Ethiopië hebben kunnen bevestigen. Eiser is door hen geregistreerd op 2 maart 2019, onder de naam [naam schrijfwijze 2] , geboren op [datum 2] . Verder zijn de namen van de vader en moeder van eiser, zijn geboorteplaats, religie en opleiding geregistreerd. Ook bevat de registratie een pasfoto.

De minister heeft eiser in de gelegenheid gesteld om te reageren op de UNHCR registratie. Bij brief van 6 maart 2025 heeft eiser bericht dat hij in Ethiopië heeft aangegeven ouder te zijn, uit angst om gescheiden te worden van een groep meerderjarige vrienden, en dat hij in [datum 2] is geboren. Volgens eiser was hij hierdoor vrij om door te kunnen reizen met zijn meerderjarige vrienden uit Eritrea die ook met hem zijn uitgereisd. Eiser heeft verzocht uit te gaan van de in Nederland gestelde leeftijd en minderjarigheid.

Bij het bestreden besluit heeft de minister niet geloofwaardig geacht dat eiser minderjarig is, en dat hij bij terugkeer te vrezen heeft. De minister heeft gemotiveerd waarom zij niet uitgaat van de verklaringen van eiser en de registratie in Italië, en wel van de registratie van de UNHCR. Volgens de minister heeft eiser haar misleid over zijn leeftijd. De minister heeft wel geloofwaardig geacht dat eiser illegaal is uitgereisd. De aanvraag is om deze reden ingewilligd.

Eiser kan zich hier niet mee verenigen. Op wat namens hem is aangevoerd gaat de rechtbank hierna is, voor zover dat in deze tussenuitspraak van belang is.

Heeft eiser belang bij een inhoudelijk oordeel?

4. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser belang heeft bij een inhoudelijk oordeel. Zij beantwoordt deze vraag bevestigend. Hoewel aan eiser de door hem verzochte vergunning is verleend, volgt uit rechtspraak van de Afdeling dat hij belang heeft bij de juiste vaststelling van zijn personalia.

Heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat mag worden uitgegaan van de UNHCR registratie?

5. Eiser heeft aangevoerd dat de minister de leeftijdsbeoordeling niet juist heeft verricht. Er moet worden uitgegaan van de registratie in Italië en verklaringen van eiser in Nederland, ondanks dat hij niet beschikt over documenten. Niet in geschil is dat hij als minderjarige uit Eritrea is gevlucht en niet over identiteitsdocumenten beschikt. Eiser verkeert daardoor in bewijsnood. Eiser heeft bestreden dat van de UNHCR registratie kan worden uitgegaan en heeft daartoe herhaald dat hij in Ethiopië met zijn moeder heeft aangegeven dat hij in [datum 2] is geboren, zodat hij kon doorreizen met zijn meerderjarige vrienden. De UNHCR registratie klopt niet en kan daarom niet worden gezien als belangrijk ondersteunend bewijs. Ook heeft de minister niet gemotiveerd waarom zij wel uitgaat van de leeftijdsregistratie door de UNHCR, maar niet van de naam van eiser uit deze registratie. Eiser heeft dan ook bestreden dat hij de minister heeft misleid over zijn leeftijd. Bij aanvullende gronden van beroep heeft eiser aangevoerd dat de UNHCR registratie niet is opgegeven door zijn moeder, maar door zijn meerderjarige vrienden. Volgens eiser is hij eerder in 2019 naar Ethiopië gereisd met zijn vrienden en is hij toen geregistreerd. Eiser is vervolgens teruggekeerd naar Eritrea en is toen in 2020 met zijn moeder en broertje gevlucht. Dat de registratie onjuist is, blijkt ook uit het feit dat de naam en de opleiding van eiser onjuist zijn. Op zitting heeft eiser gesteld dat de schrijfwijze van zijn naam [naam 1] is, en dat de derde naam niet op de vergunning staat.

De rechtbank overweegt dat uit de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling volgt dat aan een vreemdeling niet daadwerkelijk een verblijfsvergunning is verleend, indien de tenaamstelling daarvan onjuist is. De rechtbank stelt vast dat de minister zich gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat van de UNHCR registratie mag worden uitgegaan. Daartoe heeft de minister onder meer gesteld dat uit de registratie blijkt dat hieraan een family household registration document ten grondslag ligt. De minister is daarom uitgegaan van de leeftijdsregistratie van eiser door de UNHCR en heeft hem als meerderjarige aangemerkt. Eiser heeft terecht gesteld dat de minister in de besluitvorming echter niet heeft gemotiveerd waarom zij niet van de naam uit deze registratie uitgaat. In het bestreden besluit, op de verblijfsvergunning van eiser en tot in de meest recente brief aan de rechtbank, hanteert de minister tot vijf verschillende schrijfwijzen van de naam van eiser. Geen van deze vijf schrijfwijzen komt overeen met de naam in de UNHCR registratie.

De minister heeft op zitting niet kunnen uitleggen waarom in de besluitvorming en op de verblijfsvergunning van eiser, niet is uitgegaan van de naam uit de UNHCR registratie. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is van een motiveringsgebrek. Het standpunt dat mag worden uitgegaan van de UNHCR registratie, is tegenstrijdig met het gegeven dat de minister niet is uitgegaan van de naam uit deze registratie.

Uit de nadere schriftelijke reactie van 17 juni 2025 blijkt de rechtbank dat de minister niet bereid is geweest tot een naamswijziging op de verblijfsvergunning. De rechtbank volgt de minister niet in het nadere standpunt dat eiser zich tot de gemeente kan wenden met een verzoek tot rectificatie van zijn persoonsgegevens. Het is namelijk eerst aan de minister om haar besluit deugdelijk te motiveren.

Conclusie en gevolgen

6. Het voorgaande betekent dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, in strijd met artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank ziet aanleiding om de minister in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen met toepassing van artikel 8:51a van de Awb. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. Om het gebrek te herstellen moet de minister alsnog motiveren van welke persoonsgegevens van eiser zij uitgaat en waarom. Dat kan met een aanvullende motivering, of met een aanvullend, gewijzigd of nieuw besluit. De rechtbank bepaalt dat de minister het gebrek kan herstellen binnen acht weken na plaatsing van deze tussenuitspraak in het digitale dossier.

7. De minister moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, aan de rechtbank berichten of zij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als de minister gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren na de herstelpoging van de minister. In beginsel zal de rechtbank nadien zonder nadere zitting uitspraak doen op het beroep van eiser, ook in de situatie dat de minister de herstelmogelijkheid ongebruikt laat.

8. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat betekent dat zij over de overige beroepsgronden en over de proceskosten nu nog geen beslissing neemt, en dat de rechtbank het onderzoek heropent.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?