RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.27880
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
(gemachtigde: mr. H. Toonders).
Procesverloop
Verweerder heeft eiseres op 20 juni 2025 om 15:10 uur opgehouden. Op 20 juni 2025 omstreeks 23:31 uur is de vrijheidsbeneming van eiseres beëindigd, waarna zij is heengezonden.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de ophouding.
Eiseres heeft desgevraagd ingestemd met een schriftelijke afdoening van het beroep. Eiseres heeft op 27 en 28 juni 2025 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 30 juni 2025 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 2 juli 2025 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiseres stelt te zijn geboren op [datum] 1989 en de Colombiaanse nationaliteit te hebben.
2. Eiseres voert aan dat het proces-verbaal van bevindingen in het digitale dossier
ontbreekt, waardoor niet kan worden beoordeeld of de binnengekomen informatie bij het basisteam van de politie over illegale prostitutie op het adres waarop eiseres is aangetroffen nog actueel is. Ook kan niet worden getoetst of de binnentreding rechtmatig is verlopen, terwijl het gecontroleerde adres een woonadres betreft en één of meer aanwezigen daar mogelijk woonden. Daarnaast zijn agenten van het basisteam niet belast met het toezicht op vreemdelingen en waren zij dus niet bevoegd om de controle uit te voeren. Verder voert eiseres aan dat de maximale duur van ophouding is overschreden. Uit het proces-verbaal van ophouding blijkt niet hoe laat de ophouding is geëindigd, maar de ophouding heeft in ieder geval tot na 22:00 uur geduurd. Tot slot ontbreekt ook het proces-verbaal van gehoor in het digitale dossier, waardoor niet getoetst kan worden of eiseres bijstand van een advocaat wenste tijdens het gehoor en of gehoord is met behulp van een beëdigde tolk.
3. Verweerder heeft in reactie op de gronden toegelicht dat eiseres is opgehouden tot
23:31 uur en daarna is heengezonden in verband met een B8-procedure. Verweerder erkent dat de ophouding langer heeft geduurd dan zes uren en dat sprake is van een gebrek.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Een vreemdeling mag op grond van artikel 50, tweede en derde lid, van de
Vreemdelingenwet 2000 niet langer dan 6 uren worden opgehouden. Uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek blijkt dat eiseres is overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor, waar zij op 20 juni 2025 om 15:10 uur aankwam. Uit vaste jurisprudentie volgt dat de termijn van de vreemdelingrechtelijke ophouding een aanvang neemt op het moment dat de vreemdeling is aangekomen op de plaats bestemd voor verhoor. Verweerder heeft toegelicht dat de ophouding is beëindigd om 23:31 uur. Dit betekent dat de ophouding 8 uren en 21 minuten heeft geduurd. Nu eiseres van 21:10 uur tot 23:31 uur is opgehouden zonder een geldige titel, is sprake geweest van een onrechtmatige ophouding.
5. Nu het beroep reeds gelet op het bovenstaande gegrond is, behoeven de overige
beroepsgronden van eiseres geen bespreking.
6. Eiseres heeft verzocht om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank zal
het verzoek om schadevergoeding toewijzen tot een bedrag van € 130, nu eiseres is opgehouden op het politiebureau te Capelle aan den IJssel.
7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 130, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 907.
Deze uitspraak is gedaan op 7 juli 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.