ECLI:NL:RBDHA:2025:12445

ECLI:NL:RBDHA:2025:12445, Rechtbank Den Haag, 10-07-2025, NL24.5401

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 10-07-2025
Datum publicatie 11-07-2025
Zaaknummer NL24.5401
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2024:4394
Formele relatie: ECLI:EU:C:2024:911
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 18 zaken
Aangehaald door 4 zaken
11 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0006358 BWBR0011823 CELEX:32001L0055 CELEX:32008L0115 CELEX:32018R1860 CELEX:32022D0382 EU:32001L0055 EU:32008L0115 EU:32018R1860 EU:32022D0382

Samenvatting

einduitspraak na prejudiciële vragen over Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Terugkeerbesluit is prematuur opgelegd. Beroep gegrond. Einduitspraak na prejudiciële vragen over de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. In deze zaak is het terugkeerbesluit opgelegd op 7 februari 2024. Dat is enkele weken voordat het rechtmatig verblijf van eiser op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming zou eindigen. Dat was namelijk op 4 maart 2024. Uit het tweede antwoord van het Hof van Justitie – dat ziet op de eerste twee vragen van de rechtbank in deze zaak – in het arrest van 19 december 2024 volgt dat artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn zich hiertegen verzet. Volgens het Hof van Justitie kan aan een derdelander zoals eiser die rechtmatig in Nederland verblijft, geen terugkeerbesluit worden opgelegd. Ook niet als dat rechtmatig verblijf binnenkort zal eindigen en de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit tot die datum worden opgeschort. Een lidstaat mag alleen een terugkeerbesluit uitvaardigen tegen een derdelander die onrechtmatig op zijn grondgebied verblijft. De conclusie is dan ook dat het terugkeerbesluit prematuur is genomen. De beantwoording van de derde vraag van de rechtbank is voor de uitkomst van deze zaak niet meer relevant.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.5401

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. C.E. van Diepen),

en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. R.A. Visser).

Procesverloop

1. Bij besluit van 7 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 7 maart 2024 op de zitting van de meervoudige kamer behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn toenmalige gemachtigde, mr. M.J.M. Ristra-Peeters. Als tolk is verschenen P. Kuipers. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Bij uitspraak van 29 maart 2024 heeft de rechtbank het Hof van Justitie verzocht om bij wijze van prejudiciële beslissing als bedoeld in artikel 267 van het VWEU antwoord te geven op een drietal vragen. In het arrest van 19 december 2024 heeft het Hof van Justitie de prejudiciële vragen van de rechtbank beantwoord. Beide partijen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld om te reageren op het arrest van het Hof van Justitie. Eiser heeft op

10 januari en 4 februari 2025 gereageerd. De minister heeft op 20 januari 2025 gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank met toestemming van beide partijen het onderzoek gesloten zonder een nadere zitting.

Overwegingen

2. De centrale vraag in deze procedure is of de minister op 7 februari 2024 een terugkeerbesluit kon opleggen aan eiser en daarbij kon oordelen dat het recht op bescherming dat eiser genoot op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit op 4 maart 2024 is geëindigd.

De prejudiciële procedure

In de verwijzingsuitspraak van 29 maart 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat er aanleiding bestond om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie in deze zaak. De rechtbank heeft drie vragen voorgelegd aan het Hof van Justitie:

1) Moet artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn zo worden uitgelegd, dat het zich ertegen

verzet dat een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd op een datum waarop een vreemdeling

nog rechtmatig verblijf heeft op het grondgebied van een lidstaat?

2) Maakt het voor de beantwoording van de voorgaande vraag uit of in het

terugkeerbesluit een datum is opgenomen waarop het rechtmatig verblijf eindigt, die datum

in de nabije toekomst ligt en bovendien de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit pas op

dat latere moment optreden?

3) Dient artikel 1 van het Verlengingsbesluit zo te worden uitgelegd, dat deze

verlenging ook betrekking heeft op een groep derdelanders die door een lidstaat via de

facultatieve bepaling van artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit reeds onder de

werking van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming zijn gebracht, ook al heeft de lidstaat er op

een later moment voor gekozen om aan die groep derdelanders niet langer tijdelijke

bescherming meer te bieden?

Het Hof van Justitie heeft de zaak van deze rechtbank gevoegd behandeld met een drietal zaken waarin de Afdeling prejudiciële vragen had gesteld. In het arrest van

19 december 2024 heeft het Hof van Justitie voor recht verklaard dat:

1) De artikelen 4 en 7 van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich er niet tegen verzetten dat een lidstaat die tijdelijke bescherming heeft verleend aan andere categorieën personen dan die welke zijn bedoeld in artikel 2, leden 1 en 2, van het Uitvoeringsbesluit, deze categorieën personen de tijdelijke bescherming ontneemt tijdens de duur ervan waartoe de Raad van de Europese Unie op grond van artikel 4, lid 2, van deze richtlijn heeft besloten. Deze lidstaat kan de tijdelijke bescherming die hij aan die categorieën personen heeft verleend intrekken op een eerdere datum dan die waarop de door de Raad vastgestelde tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft, mits deze lidstaat met name geen afbreuk doet aan de doelstellingen en het nuttig effect van richtlijn 2001/55 en de algemene beginselen van het Unierecht eerbiedigt. en;

2) Artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat jegens een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft uit hoofde van de mogelijkheid die deze lidstaat heeft aangewend om hem facultatieve tijdelijke bescherming te verlenen, als bedoeld in artikel 7 van richtlijn 2001/55, een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd voordat deze bescherming is geëindigd, zelfs wanneer blijkt dat genoemde bescherming binnenkort zal eindigen en dat de gevolgen van dit besluit tot die datum worden opgeschort.

De gevolgen voor deze zaak

In deze zaak is het terugkeerbesluit opgelegd op 7 februari 2024. Dat is enkele weken voordat het rechtmatig verblijf van eiser op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming zou eindigen. Dat was namelijk op 4 maart 2024. Uit het tweede antwoord van het Hof van Justitie – dat ziet op de eerste twee vragen van de rechtbank in deze zaak – in het arrest van 19 december 2024 volgt dat artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn zich hiertegen verzet. Volgens het Hof van Justitie kan aan een derdelander zoals eiser die rechtmatig in Nederland verblijft, geen terugkeerbesluit worden opgelegd. Ook niet als dat rechtmatig verblijf binnenkort zal eindigen en de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit tot die datum worden opgeschort. Een lidstaat mag alleen een terugkeerbesluit uitvaardigen tegen een derdelander die onrechtmatig op zijn grondgebied verblijft.

De conclusie is dan ook dat het terugkeerbesluit prematuur is genomen. Ten tijde van het opleggen van het terugkeerbesluit had eiser nog rechtmatig verblijf en mocht tegen hem dus geen terugkeerbesluit worden uitgevaardigd. Gelet hierop komt het terugkeerbesluit voor vernietiging in aanmerking. Dit lijkt tussen partijen ook niet in geschil.

De beantwoording van de derde vraag van de rechtbank – neergelegd in het eerste antwoord van het Hof van Justitie – is voor de uitkomst van deze zaak niet meer relevant omdat het terugkeerbesluit niet uitgevaardigd had mogen worden en kan dan ook verder buiten beschouwing worden gelaten. De rechtbank ziet geen aanleiding om zich daar verder inhoudelijk over uit te laten.

Conclusie en gevolgen

Beslissing

4. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of om anderszins verder zelf in de zaak te voorzien.

5. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 9.523,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, 2 maal 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze, 2 punten voor schriftelijke opmerkingen in de prejudiciële procedure en 2 punten voor het verschijnen op de mondelinge behandeling in de prejudiciële procedure, met een waarde per punt van € 907,- en - gelet op de zwaarte van de zaak - een wegingsfactor 1,5). Voor de reis- en verblijfskosten stelt de rechtbank een bedrag vast van € 326,40.

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 9.849,90.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Glerum, voorzitter en mr. Y. Moussaoui en

mr. V.F.J. Bernt, leden, in aanwezigheid van L. Fernandez Ferreiro, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. A.K. Glerum
  • mr. Y. Moussaoui
  • mr. V.F.J. Bernt

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JV 2025/197
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?