ECLI:NL:RBDHA:2025:12466

ECLI:NL:RBDHA:2025:12466, Rechtbank Den Haag, 11-07-2025, 25.28979

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 11-07-2025
Datum publicatie 11-07-2025
Zaaknummer 25.28979
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 2 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0011823

Samenvatting

bewaring, volgberoep, voortvarend handelen, ongegrond

Uitspraak

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],

van Algerijnse nationaliteit,

V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Inleiding

1. De minister heeft op 8 april 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

De minister heeft de rechtbank, door middel van een kennisgeving, van de voortduring van de maatregel in kennis gesteld en een voortgangsrapportage overgelegd. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.

De rechtbank heeft het beroep op 11 juli 2025 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister zijn daarbij verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst in de uitspraak van 25 april 2025. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of het voortduren van de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van het onderzoek in de voorgaande zaak op 18 april 2025 rechtmatig is.

Standpunt van eiser

4. Eiser voert aan dat de minister niet voortvarend genoeg handelt ten aanzien van zijn uitzetting. Eiser heeft in zijn vertrekgesprekken aangegeven mee te zullen werken aan zijn vertrek als de Algerijnse autoriteiten aan hem een lp verlenen. Hierin had de minister aanleiding moeten zien om de aanvraag onder speciale aandacht van de Algerijnse autoriteiten te brengen.

Oordeel van de rechtbank

5. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije niet ontbreekt.

6. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. In de periode vanaf 18 april 2025 is door de minister drie keer schriftelijk gerappelleerd. Ook zijn er op 8 mei 2025, 5 juni 2025 en 7 juli 2025 vertrekgesprekken gevoerd met eiser. Eiser heeft weliswaar aangegeven mee te zullen werken als zijn lp-aanvraag wordt ingewilligd, maar verleent - zoals volgt uit onder meer het vertrekgesprek van 7 juli 2025 - verder geen medewerking aan zijn vertrek. Als eiser zijn vertrek wil bespoedigen, ligt het op zijn weg om documenten te overleggen voor de lp-aanvraag of een vrijwilligersbrief te schrijven voor een presentatie bij de autoriteiten. Niet is gebleken dat eiser zich inspant om zijn vertrek te bespoedigen. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat, op dit moment, geen aanleiding wordt gezien om op individuele basis te rappelleren op de lp-aanvraag.

7. De rechtbank is tot slot van oordeel, dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Eiser heeft ook geen redenen naar voren gebracht waarin de minister aanleiding had moeten zien om aan eiser een lichter middel op te leggen.

8. De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. V.A.G. van Dijk

Griffier

  • mr. M.A. Postma

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?