RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.28692
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. S. Faber),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 21 mei 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 7 juli 2025 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 2000.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 11 juni 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 4 juni 2025, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds 4 juni 2025.
4. Eiser voert aan dat de Algerijnse autoriteiten nog steeds niet hebben gereageerd op de lp-aanvraag die in mei is verzonden. Eiser is van mening dat de Algerijnse autoriteiten zijn vervallen in hun oude bureaucratische streken en reageren niet op de lp-aanvraag en rappels van verweerder. Er bestaat dan ook geen kans op terugkeer naar Algerije binnen een redelijke termijn.
5. Uit de rechtspraak volgt dat in het geval van Algerije in het algemeen wordt aangenomen dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn niet ontbreekt. Eerder heeft de rechtbank al vastgesteld dat dat voor eiser persoonlijk niet anders was. Niet is gebleken dat de omstandigheden voor eiser sindsdien zijn gewijzigd. Uit het voorgangsrapport volgt dat de aanvraag voor een lp voor eiser in behandeling is bij de Algerijnse autoriteiten. Uit het op 18 juni 2025 met eiser gevoerde vertrekgesprek blijkt dat eiser tot op heden geen inspanningen heeft verricht om zijn vertrek naar Algerije te realiseren. Bovendien heeft eiser aangegeven niet bereid te zijn naar een presentatie te gaan met de diplomatieke vertegenwoordiging. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten niet alsnog een lp zullen verlenen als eiser actief en volledig medewerking aan zijn uitzetting verleent.
6. Ook overigens ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 14 juli 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.