RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.16184
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
2. Eiser heeft zijn asielaanvraag ingediend op 20 december 2023. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vw moet er binnen zes maanden op een asielaanvraag worden beslist. Voor zover verweerder met de WBV 2023/3 de beslistermijn met negen maanden heeft verlengd, is de rechtbank van oordeel dat deze verlenging onvoldoende is gemotiveerd. Zij verwijst in dat verband naar haar uitspraak van 12 juni 2025. De rechtbank ziet geen reden om in deze zaak van dit oordeel af te wijken. Dit betekent dat de rechtsgrond aan het besluit tot verlenging ontbreekt en dat de beslistermijnen voor dergelijke aanvragen zes maanden is. De beslistermijn eindigt daarom op 20 juni 2024.
3. Eiser heeft verweerder rechtsgeldig in gebreke gesteld op 24 maart 2025. De termijn van twee weken voor het instellen van beroep zoals bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, vangt aan één dag na ontvangst van de ingebrekestelling. Verweerder had dus tot en met 7 april 2025 om alsnog een besluit te nemen. Eiser heeft het beroep ingediend op 7 april 2025. Dit betekent dat het beroep te vroeg ingediend. Het beroep is om die reden kennelijk niet-ontvankelijk.
4. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 31 juli 2025 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.