[verzoeker], uit [woonplaats] (Duitsland), verzoeker
en
de commissie van bezwaar en beroep, verweerder
(gemachtigde: mr. E.M.A. van der Linden).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de brief van verweerder van 14 november 2024 waarin is medegedeeld dat de hoorzitting fysiek plaats zal vinden.
Verzoeker is in beroep gegaan tegen deze brief en heeft een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoeker is in bezwaar gegaan tegen twee besluiten van het college van bestuur van de Universiteit Leiden. Verweerder geeft, als de commissie van bezwaar en beroep, advies aan het college van bestuur van de universiteit Leiden over deze zaken. Op 23 oktober 2024 heeft verzoeker een brief ontvangen van verweerder waarin hij is uitgenodigd voor een fysieke hoorzitting. Verzoeker heeft hierop op 29 oktober 2024 aangegeven dat hij een digitale hoorzitting wenst. Dit vanwege de lange reistijd vanuit Duitsland. Verweerder heeft op 14 november 2024 dit verzoek afgewezen. Bij e-mail van 18 november 2024 is verweerder bij deze afwijzing gebleven.
Wat vindt verzoeker?
3. Kort samengevat stelt verzoeker zich op het standpunt dat verweerder onrechtmatig heeft geweigerd om de hoorzitting digitaal te faciliteren door alleen in algemene zin aan te voeren dat niet telefonisch dan wel digitaal gehoord wordt. Deze weigering is in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Er is sprake van een schending van de hoorplicht. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft verzoeker verwezen naar een aantal arresten van de Hoge Raad. Verzoeker wil met zijn verzoek bewerkstelligen dat hij alsnog in de bezwaarschriftprocedure gehoord wordt.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
4. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
5. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. Voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld, moet eerst worden beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de weigering van verweerder de hoorzitting digitaal te laten plaatsvinden een procedurebeslissing in de zin van artikel 6:3 van de Awb is. Deze beslissing is genomen in het kader van de voorbereiding op de beslissing op bezwaar die door het college van bestuur zal worden genomen. Zo een beslissing is niet vatbaar voor bezwaar of beroep. Dat is alleen anders indien deze beslissing de belanghebbende, los van het voor te bereiden besluit, rechtstreeks in zijn belang treft. Dat van deze uitzondering sprake is, is de voorzieningenrechter niet gebleken. Immers kan verzoeker zijn eventuele procedurele of inhoudelijke bezwaren tegen de gang van zaken omtrent de hoorzitting na de te nemen beslissing op bezwaar in beroep daartegen naar voren brengen. Nu verzoeker niet heeft toegelicht waarom deze eventuele beroepsprocedure niet kan worden afgewacht is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van spoedeisend belang.
Nu het spoedeisend belang ontbreekt kan de door verzoeker gevraagde voorziening alleen dan nog worden getroffen als het handelen van verweerder evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is. Daar zijn geen aanwijzingen voor.
6. Beide partijen hebben verzocht om, indien mogelijk, gelijk ook uitspraak te doen op het beroep. Nu er in deze procedure geen zitting is geweest kan de voorzieningenrechter, gelet op hetgeen is bepaald in artikel 8:86, eerste lid van de Awb, niet ook uitspraak doen in de hoofdzaak.
Conclusie en gevolgen
7. Omdat een spoedeisend belang ontbreekt, is het verzoek kennelijk ongegrond en wijst de voorzieningenrechter het verzoek af.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.T. van Bruggen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: