The Young Commercial Investments B.V., uit Den Haag, eiseres
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag
(gemachtigde: mr. S.J.C. Hocks).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: [derde partij 1] (derde-partij 1, gemachtigde: mr. M.A. de Boer) en [derde partij 2] (derde-partij 2).
Inleiding
De rechtbank heeft de beroepen op 21 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het college deelgenomen. Namens eiseres en derde-partijen is niemand verschenen.Feiten en omstandigheden
3. In de achtertuin van het perceel [adres] in Den Haag is een houten huisje met daarin sanitaire voorzieningen geplaatst, zonder de daarvoor benodigde omgevingsvergunningen. Eiseres heeft als (toenmalig) eigenaar van het perceel alsnog de omgevingsvergunningen aangevraagd. Het college heeft de omgevingsvergunning voor zowel het houten huisje als voor de toiletruimte daarin afgewezen.
Derde-partij 1 heeft op 19 juni 2025 een schriftelijke reactie ingediend op de beroepen van eiseres. In deze schriftelijke reactie staat dat eiseres het perceel waarop het houten huisje stond heeft verkocht en dat het houten huisje is afgebroken. Eiseres heeft op 16 juli 2025 schriftelijk bevestigd dat het perceel is verkocht.
Procesbelang
4. Voordat de rechtbank kan toekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep, moet eerst worden beoordeeld of eiseres procesbelang heeft. Het college heeft het procesbelang op zitting ook betwist.
Procesbelang is het belang dat een belanghebbende heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat de belanghebbende voor ogen staat, met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de belanghebbende van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft een belanghebbende die opkomt tegen een besluit, belang bij een beoordeling van zijn beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure is komen te vervallen. In dat geval is de bestuursrechter niet geroepen uitspraak te doen uitsluitend vanwege de principiƫle betekenis daarvan.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres geen procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroepen. Vast staat namelijk dat het huisje inmiddels is afgebroken en dat de grond waarop het huisje stond, door eiseres is verkocht. Nu eiseres geen eigenaar meer is van de grond, kan zij het huisje niet meer op het perceel terugbouwen. Zij heeft daarom geen feitelijk belang meer bij het verkrijgen van de gevraagde omgevingsvergunningen.
De rechtbank is verder ook niet gebleken van andere redenen waarom eiseres nog procesbelang zou hebben bij de uitkomst van deze procedure. Desgevraagd heeft eiseres in een schriftelijke reactie van 16 juli 2025 laten weten nog veel waarde te hechten aan een uitspraak, door alles wat er is gebeurd. De rechtbank vat dit op als een verzoek om een uitspraak om principiƫle redenen. Zoals in 4.1 is overwogen, levert dit geen procesbelang op. Eiseres is bovendien niet op zitting verschenen om toe te lichten waaruit haar procesbelang nog zou bestaan.Conclusie en gevolgen
5. De beroepen zijn niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank de zaken niet inhoudelijk behandelt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. C.A. van der Meijs, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.