RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.38724
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.L. Crutzen),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 23 mei 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 21 augustus 2025 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1985.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 6 juni 2025 en 15 juli 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraken ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring sinds 14 juli 2025 onrechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt en dat het zicht op uitzetting ontbreekt. Daarbij wijst eiser erop dat hij nagenoeg 22 weken in bewaring verblijft. Verweerder heeft op 28 maart 2025 een lp-aanvraag ingediend en sindsdien al acht keer gerappelleerd bij de Algerijnse nationaliteiten. Er hebben daarnaast vier vertrekgesprekken plaatsgevonden met eiser.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Niet is gebleken van aanknopingspunten voor het oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn, ondanks de volledige medewerking van de vreemdeling, ontbreekt. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 mei 2024 en 15 juli 2024 waarin zicht op uitzetting naar Algerije in het algemeen wordt aangenomen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het zicht op uitzetting in zijn geval ontbreekt. Het enkele gegeven dat de Algerijnse autoriteiten nog niet hebben geregeerd op de rappels van verweerder is onvoldoende om te kunnen concluderen dat de Algerijnse autoriteiten zullen weigeren aan eiser een lp te verstrekken. Daarbij heeft eiser in het vertrekgesprek van 24 juli 2025 verklaard dat hij niet terug wil naar Algerije, hij niet wil meewerken aan zijn terugkeer en dat als hij in contact zou komen met de consul van Algerije, hij zal smeken om geen lp af te geven. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat eiser zijn volledige medewerking verleent.
6. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend is blijven werken aan de uitzetting van eiser. Uit het voortgangsrapport volgt dat verweerder na 14 juli 2025 twee keer heeft gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten, waarvan de laatste keer op 15 augustus 2025. Verder heeft verweerder meerdere vertrekgesprekken met eiser gevoerd, waarbij het laatste vertrekgesprek heeft plaatsgevonden op 24 juli 2025. Verweerder is verder afhankelijk van de medewerking van eiser om de afgifte van een lp te bespoedigen.
7. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 21 augustus 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.