ECLI:NL:RBDHA:2025:15825

ECLI:NL:RBDHA:2025:15825, Rechtbank Den Haag, 26-08-2025, NL25.37380

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 26-08-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer NL25.37380
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Eerste beroep bewaring – beëindiging verblijfsrecht – uittreksel JD – beroep ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.37380

V-nummer: [V-nummer],

(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),

en

(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 10 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 20 augustus 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1989 en de Poolse nationaliteit te hebben.

Beëindiging verblijfsrecht

2. Eiser stelt dat het verwijderingsbesluit van 4 april 2024 niet op behoorlijke wijze is uitgereikt. Hij is pas tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling op 10 augustus 2025 bekend geraakt met dit besluit. Hij heeft daarbij verklaard dat hem nooit duidelijk is uitgelegd dat hij geen rechtmatig verblijf meer had in Nederland. De aanwezige tolk heeft niets uitgelegd, enkel vragen gesteld. Deze gang van zaken is in strijd met artikel 30 van de Richtlijn. Dit maakt dat eiser beroep doet op de uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2025, waaruit volgt dat een lidstaat een burger van de Unie van een andere lidstaat niet in bewaring mag stellen als deze burger op grond van de Verblijfsrichtlijn het recht heeft om op het grondgebied van de betrokken lidstaat te verblijven. Nu eiser pas op 10 augustus 2025 is ingelicht over het besluit, is zijn verblijfsrecht op dat moment pas daadwerkelijk beëindigd. Hij bevond zich dan ook nog in de vertrektermijn en mocht niet in bewaring gesteld worden.

3. De rechtbank is van oordeel dat de beschikking van 4 april 2024, gelet op artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, op rechtsgeldige wijze aan eiser is bekendgemaakt op 31 mei 2024 door uitreiking aan hem in persoon. Uit het uitreikingsblad blijkt dat de beschikking in persoon is uitgereikt, waarbij de strekking daarvan met behulp van een tolk Pools (met [tolknummer]) aan hem is meegedeeld. Eiser heeft hiervoor getekend. Dit maakt dat eiser op 31 mei 2024 bekend is geraakt met de beëindiging van zijn verblijfsrecht en dat de vertrektermijn van vier weken op dat moment is aangevangen. Eiser heeft sindsdien zijn verblijf in het Nederlands grondgebied niet daadwerkelijk en effectief beëindigd. Daarom moet worden aangenomen dat zijn huidige verblijf in Nederland in werkelijkheid een voortzetting is van zijn eerdere verblijf. Dit betekent dan ook dat geen nieuwe vrije termijn is gaan lopen en dat het besluit van 4 april 2024 nog steeds werking heeft. Nu vaststaat dat op eiser een vertrekplicht rust en hij geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland, is verweerder op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw bevoegd tot het opleggen van de maatregel van bewaring.

Uittreksel Justitiële Documentatie (JD)

4. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij al meerdere keren met de politie in aanraking is gekomen en dat verweerder daarom een uittreksel JD had moeten opvragen. Verweerder had dit volgens eiser in beginsel voor het opleggen van de bewaringsmaatregel moeten doen, maar in ieder geval met het bekend worden van de vluchtgegevens. Door dit na te laten heeft verweerder zijn informatieplicht geschonden. Als gevolg hiervan kan volgens eiser niet worden getoetst of er sprake is van zicht op uitzetting en of verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld.

5. De Afdeling heeft overwogen dat het opvragen van een uittreksel uit de Justitiële Documentatie een handeling is in het kader van de (feitelijke) uitzetting of overdracht en daarom in beginsel niet vereist voorafgaand aan de bewaring. Uit het oogpunt van voortvarend handelen kan echter van verweerder worden verlangd dat hij wel voorafgaand aan de bewaring een uittreksel JD opvraagt en zo nodig contact met het Openbaar Ministerie opneemt, in het geval de vreemdeling in strafrechtelijke detentie zit, aansluitend op de strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring zal worden geplaatst, en de uitzettings- of overdrachtsdatum bekend is. Die situatie doet zich in het geval van eiser niet voor nu hij na zijn strafrechtelijke aanhouding direct is overgedragen aan de vreemdelingenpolitie. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder voorafgaand aan het opleggen van de maatregel dan ook geen uittreksel JD hoeven opvragen.

6. Verder volgt uit paragraaf A3/6.3, aanhef en onder c, van de Vc dat de uitzetting van een vreemdeling niet plaatsvindt als hij als verdachte van een misdrijf is aangehouden en het strafonderzoek door het OM niet is beëindigd. Verweerder mag wel tot uitzetting overgaan als het OM of het CJIB hiertegen binnen drie werkdagen geen bezwaar heeft gemaakt.

7. De rechtbank stelt daartoe allereerst vast dat het uittreksel JD inmiddels is toegevoegd aan het digitale dossier. Daaruit blijkt dat geen sprake is van een openstaande zaak betreffende een misdrijf. Verder volgt uit het uittreksel dat deze op 11 augustus 2025 is opgesteld, de dag nadat de maatregel van bewaring is opgelegd. Op 14 augustus 2025 is een vlucht aangevraagd en op de daaropvolgende dag zijn de vluchtgegevens bekend geworden. Het uittreksel was dus al opgevraagd voordat de vluchtgegevens bekend waren. Verweerder heeft dan ook, conform de eerder genoemde Afdelingsuitspraak, voortvarend gehandeld met het opvragen van het uittreksel JD. Daarnaast ontbreekt zicht op uitzetting niet, gelet op de geplande vlucht van 21 augustus 2025.

Ambtshalve toets

8. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 26 augustus 2025 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. E.J. Govaers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand