ECLI:NL:RBDHA:2025:16249

ECLI:NL:RBDHA:2025:16249, Rechtbank Den Haag, 13-08-2025, AWB 24/7683

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 13-08-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer AWB 24/7683
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 2 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0006358 BWBR0011823 BWBR0050946

Samenvatting

Beroepen tegen niet tijdig beslissen, bezwaar tegen beëindigen opvang LVV, zitting, feitelijke handeling, analogische toepassing artikel 6:8 Awb, beslistermijn verstreken, verdaging ongeldig, beroepen gegrond, nadere beslistermijn van 12 weken

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2025 in de zaken tussen

100 eisers

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

Samenvatting

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 25/7683 en 99 andere zaaknummers (zie bijlage)

(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),

en

(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovács).

Deze uitspraak gaat over de beroepen tegen niet tijdig beslissen van eisers. Eisers menen dat de minister niet tijdig heeft beslist op hun bezwaarschriften tegen het beëindigen van de opvang in het kader van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) te Utrecht.

Procesverloop

De gemeente Utrecht heeft eisers op 21 november 2024 namens de minister schriftelijk laten weten dat de LVV per 1 januari 2025 wordt beëindigd. In de brief heeft de gemeente ook aangegeven dat de minister heeft besloten het mandaat voor en de financiering van de LVV stop te zetten. Ten slotte vermeldt de brief dat lopende bezwaarprocedures over de LVV per 1 januari 2025 worden overgedragen aan de minister.

Eisers hebben in de periode tussen 29 november 2024 en 7 december 2024 bezwaar gemaakt tegen de brief van de gemeente. Bij brief van 4 februari 2025 heeft de minister de wettelijke beslistermijn van zes weken met nog eens zes weken verdaagd.

De minister heeft volgens eisers niet tijdig beslist op hun bezwaarschriften. Eisers hebben de minister daarom op 10 maart 2025 in gebreke gesteld. Vervolgens hebben eisers op 24 maart 2025 beroepen tegen niet tijdig beslissen ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van eisers heeft hierop schriftelijk gereageerd.

De rechtbank heeft de beroepen op 6 augustus 2025 op zitting behandeld. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de minister de gelegenheid gegeven om uiterlijk op 7 augustus 2025 op een nagekomen brief van eisers te reageren. De minister heeft op deze brief gereageerd en daarbij aangegeven geen behoefte te hebben aan een tweede zitting. De gemachtigde van eisers heeft op de zitting (al) aangegeven een tweede zitting niet nodig te achten. Het onderzoek is vervolgens gesloten.

Overwegingen

1. Eisers hebben verzocht om vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen. Eisers hebben voldoende aangetoond dat zij aan de voorwaarden voor deze vrijstelling voldoen. De rechtbank verleent eisers daarom vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen.

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een bezwaar beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen beslissing op het bezwaar is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.

Zijn de beroepen van eisers ontvankelijk en gegrond?

3. De minister stelt zich primair op het standpunt dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn. Hij betoogt daartoe dat de bezwaarschriften van eisers zijn gericht tegen de feitelijke beëindiging van de opvang op 1 januari 2025 en dat deze datum daarom als startdatum van de bezwaartermijn (en in het verlengde daarvan de beslistermijn) heeft te gelden. Dit betekent volgens de minister dat de verdagingsbrief van 4 februari 2025, die ruim vóór het verstrijken van de beslistermijn is verstuurd, geldig is en dat de beslistermijn is verstreken op 23 april 2025. De ingebrekestellingen van 10 maart 2025 zijn dan ook prematuur.

4. De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de minister eisers op 21 november 2024 schriftelijk heeft laten weten dat hun opvang op 1 januari 2025 eindigt. Hoewel de minister terecht aanvoert dat de brief van 21 november 2024 niet zelf de feitelijke handeling is als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, is het vanuit een oogpunt van rechtsbescherming wel wenselijk dat, met name voor de betrokkene, bezwarende of anderszins nadelige handelingen met betrekking tot de opvang ook schriftelijk worden meegedeeld. Schriftelijke vastlegging van de handeling schept onder andere duidelijkheid over de aanvang van bezwaar- en beroepstermijnen.

5. Bij brief van 21 november 2024 heeft de gemeente Utrecht namens de minister meegedeeld de opvang te beëindigen met ingang van 1 januari 2025. Naar het oordeel van de rechtbank dient, naar analogie van artikel 6:8 van de Awb, het moment waarop de handeling bekend is gemaakt aangemerkt te worden als het moment waarop de bezwaartermijn gaat lopen. In dit geval is dat 21 november 2024.

6. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de termijn voor het nemen van besluiten op de bezwaarschriften van eisers is aangevangen op 21 november 2024. De minister heeft de bezwaarschriften in de periode tussen 29 november 2024 en 7 december 2024 ontvangen. De minister diende uiterlijk binnen zes weken na het verstrijken van de bezwaartermijnen, namelijk op 31 januari 2025, op de bezwaarschriften te beslissen. Dat betekent dat de verdagingsbrief van 4 februari 2025 te laat is verstuurd, omdat op dat moment de beslistermijn al was verstreken.

7. Eisers hebben de minister op 10 maart 2025 in gebreke gesteld. Dit is na het verstrijken van de beslistermijn op de bezwaarschriften. Op het moment waarop de rechtbank de beroepen van eisers ontving, was de termijn van twee weken na de ingebrekestelling, waarbinnen de minister moest beslissen, nog niet verstreken. Eisers hebben hun beroepen dus te vroeg ingediend. De hoofdregel is dan dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn. In dit geval beslist de rechtbank dat de beroepen tóch ontvankelijk zijn, omdat de genoemde termijn inmiddels wél is verstreken en de minister nog steeds geen besluiten heeft genomen. De rechtbank verklaart de beroepen daarom ontvankelijk en gegrond.

Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank de minister op?

8. De rechtbank geeft in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog besluiten te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.

9. De minister heeft de rechtbank verzocht om een langere nadere beslistermijn op te leggen, te weten twaalf weken. Hiertoe heeft hij aangegeven dat het gaat om een groot aantal bezwaarschriften en dat hij, ondanks meerdere verzoeken, nog altijd niet de beschikking heeft over de Utrechtse dossiers. De rechtbank ziet in de uitleg van de minister aanleiding om een langere nadere beslistermijn dan twee weken op te leggen. De rechtbank legt de minister op om binnen twaalf weken op de bezwaarschriften van eisers te beslissen. Dit is naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op het grote aantal bezwaarschriften, passend om tot een zorgvuldige beslissing op de bezwaarschriften te komen. Deze termijn begint na de dag van verzending van deze uitspraak.

Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?

10. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hanteren. De rechtbank bepaalt in deze zaken dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.

Heeft de minister een bestuurlijke dwangsom verbeurd?

11. Eisers hebben de rechtbank verzocht om de hoogte van de bestuurlijke dwangsom vast te stellen.

12. Met ingang van 15 april 2025 zijn in vreemdelingenzaken de wettelijke bepalingen met betrekking tot de bestuurlijke dwangsom niet meer van kracht. Dit is slechts anders als de minister vóór 15 april 2025 niet tijdig heeft beslist én de minister eveneens vóór die datum in gebreke is gesteld. Deze omstandigheid doet zich in deze zaken voor. De rechtbank kan de hoogte van de verbeurde dwangsom daarom vaststellen.

13. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden.

14. De minister heeft de hoogte van de dwangsom niet vastgesteld. De rechtbank doet dit nu alsnog. De rechtbank stelt de hoogte van de dwangsom vast op het maximale bedrag van € 1.442,-, omdat er inmiddels al 42 dagen zijn verstreken sinds de minister in gebreke is.

Conclusie en gevolgen

15. De beroepen zijn gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en dat de minister binnen twaalf weken alsnog besluiten op de bezwaarschriften bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, moet hij een dwangsom betalen.

16. Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgen eisers ook een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is dit een vast bedrag, omdat eisers een professionele (juridische) hulpverlener hebben ingeschakeld om voor hen een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaken alleen gaan over de vraag of de beslistermijn is overschreden, geldt een lagere wegingsfactor van 0,5. Tevens geldt de hogere wegingsfactor van 1,5, omdat de gemachtigde van eisers beroepschriften heeft ingediend in meer dan vier samenhangende zaken. De vergoeding bedraagt aldus € 1.360,50 (1,5 punt voor het indienen van de beroepschriften en 1,5 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van

€ 907,- en wegingsfactoren 0,5 en 1,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

17. De rechtbank beschouwt deze zaken vanwege de inhoud als samenhangende zaken. Daarom blijft de hoogte van de vergoeding beperkt tot het bedrag dat in één zaak zou worden toegekend. Dit geldt ook voor de verbeurde en te verbeuren dwangsommen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt het met besluiten gelijk te stellen niet tijdig nemen van besluiten op bezwaar;

- stelt de door de minister aan eisers gezamenlijk te betalen bestuurlijke dwangsom vast op

€ 1.442,-;

- draagt de minister op om binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog besluiten te nemen op de bezwaarschriften;

- bepaalt dat de minister aan eisers gezamenlijk een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van

€ 15.000,-;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.360,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.W. van Eerden, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2025.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Bijlage

AWB 25/7555

AWB 25/7557

AWB 25/7560

AWB 25/7561

AWB 25/7562

AWB 25/7564

AWB 25/7565

AWB 25/7566

AWB 25/7567

AWB 25/7568

AWB 25/7571

AWB 25/7572

AWB 25/7574

AWB 25/7575

AWB 25/7576

AWB 25/7578

AWB 25/7579

AWB 25/7581

AWB 25/7582

AWB 25/7583

AWB 25/7584

AWB 25/7586

AWB 25/7587

AWB 25/7588

AWB 25/7589

AWB 25/7669

AWB 25/7670

AWB 25/7671

AWB 25/7672

AWB 25/7674

AWB 25/7676

AWB 25/7677

AWB 25/7679

AWB 25/7681

AWB 25/7682

AWB 25/7683

AWB 25/7684

AWB 25/7685

AWB 25/7687

AWB 25/7688

AWB 25/7689

AWB 25/7691

AWB 25/7703

AWB 25/7704

AWB 25/7706

AWB 25/7707

AWB 25/7708

AWB 25/7709

AWB 25/7711

AWB 25/7713

AWB 25/7637

AWB 25/7639

AWB 25/7640

AWB 25/7665

AWB 25/7641

AWB 25/7642

AWB 25/7643

AWB 25/7645

AWB 25/7646

AWB 25/7647

AWB 25/7648

AWB 25/7649

AWB 25/7650

AWB 25/7651

AWB 25/7653

AWB 25/7654

AWB 25/7655

AWB 25/7656

AWB 25/7658

AWB 25/7659

AWB 25/7660

AWB 25/7661

AWB 25/7662

AWB 25/7663

AWB 25/7664

AWB 25/7596

AWB 25/7597

AWB 25/7601

AWB 25/7602

AWB 25/7603

AWB 25/7604

AWB 25/7607

AWB 25/7608

AWB 25/7610

AWB 25/7612

AWB 25/7614

AWB 25/7615

AWB 25/7617

AWB 25/7619

AWB 25/7620

AWB 25/7621

AWB 25/7622

AWB 25/7623

AWB 25/7625

AWB 25/7626

AWB 25/7627

AWB 25/7628

AWB 25/7631

AWB 25/7633

AWB 25/7634

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. G.P. Loman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand