[verzoekster], verzoekster
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Kortrijk),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Inleiding
In het besluit van 8 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder een terugkeerbesluit tegen verzoekster uitgevaardigd en bepaald dat zijn facultatieve tijdelijke bescherming onder de Richtlijn tijdelijke bescherming (2001/55/EG) per 4 maart 2024 is geëindigd.
Verzoekster heeft beroep (NL25.36198) ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die inhoudt dat zij hangende het beroep niet zal worden uitgezet en zal worden beschouwd als begunstigde onder de Richtlijn tijdelijke bescherming, zodat ze haar voorzieningen niet verliest.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak buiten zitting.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventuele bodemzaak niet.
2. Aangezien verweerder in algemene zin heeft bekendgemaakt dat het bevriezen van de gevolgen van het eindigen van tijdelijke bescherming voor de groep die wordt aangeduid met de term 'derdelanders Oekraïne', waarvan verzoekster deel uitmaakt, op 4 september 2025 ophoudt, is de vereiste onverwijlde spoed aanwezig. Hoewel verzoekster vanaf die datum nog een vertrektermijn van vier weken heeft, mag zij namelijk na die datum geen gebruik meer maken van de gemeentelijke opvangvoorzieningen en mag zij niet meer werken in Nederland. Hierbij is van belang dat zij ten tijde van het bestreden besluit geen procedure over tijdelijke bescherming had lopen. Hierin ziet de voorzieningenrechter aanleiding om bij wijze van ordemaatregel het verzoek op de hierna te melden wijze toe te wijzen.
3. In de toewijzing van het verzoek ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 907, bestaande uit een punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. van de Merbel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.