RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.41787
(gemachtigde: mr. M.I. Vennik),
en
Procesverloop
De minister heeft op 24 april 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Deze maatregel is bij uitspraken van 13 mei 2025 en 29 juli 2025 eerder getoetst.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft op 8 september 2025 het vooronderzoek gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
Toetsingskader
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 29 juli 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
Handelt de minister voldoende voortvarend?
3. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Op 28 april 2025 is namelijk al een aanvraag voor een laissez-passer (lp) verzonden aan de Marokkaanse autoriteiten. Hierop is op 15 augustus 2025 voor het laatst gerappelleerd. Daarbij merkt eiser op dat uit een andere zaak blijkt dat de Marokkaanse vertegenwoordiger met verlof is waardoor hoogstwaarschijnlijk in augustus niet gereageerd zal worden. Dit is volgens eiser onacceptabel. Het laatste vertrekgesprek heeft vier weken geleden plaatsgevonden, namelijk op 7 augustus 2025.
Het betoog slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld door op 7 augustus een vertrekgesprek met eiser te voeren en op 15 augustus 2025 schriftelijk te rappelleren op de lp-aanvraag. Dat hierna niet nogmaals is gerappelleerd en geen vertrekgesprek meer is gevoerd, is onvoldoende voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Uit het voortgangsrapport blijkt namelijk dat de minister ongeveer iedere maand rappelleert en vertrekgesprekken voert en dat acht de rechtbank voldoende voor het voortvarend handelen. Dat de Marokkaanse vertegenwoordiger in augustus met verlof zou zijn, doet niet af aan het voortvarend handelen van de minister, omdat dit buiten zijn macht ligt.
Is het voortduren van de maatregel van bewaring onevenredig bezwarend?
4. Eiser betoogt dat het voortduren van de maatregel van bewaring voor hem onevenredig bezwarend is omdat hij al langere tijd laat weten ziek te zijn. Eiser heeft hierover in de vertrekgesprekken verklaard en verwijst naar zijn medisch dossier. Uit de voortgangsrapportage blijkt niet dat rekening wordt gehouden met de medische en psychische situatie van eiser. Daarnaast is de medische dienst niet in staat zijn aandoening te behandelen.
Het betoog slaagt niet. Uit het dossier blijkt weliswaar dat eiser last heeft van slaapproblemen, maar hierin heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding hoeven zien om de maatregel van bewaring onevenredig bezwarend te achten. Eiser wordt hierbij namelijk, blijkens het overgelegde medische dossier, geholpen door een arts. De minister mag er daarbij vanuit gaan dat de zorg in het detentiecentrum gelijkwaardig is aan de zorg buiten het detentiecentrum. Daarnaast blijkt uit de vertrekgesprekken dat steeds aandacht is voor de medische omstandigheden van eiser. Daarom slaagt het betoog van eiser, dat hiermee geen rekening wordt gehouden, niet. Het betoog van eiser dat de medische dienst niet in staat is zijn aandoening te behandelen slaagt niet. Eiser heeft namelijk niet onderbouwd dat de zorg in het detentiecentrum voor hem ontoereikend zou of dat hij meer specialistische zorg nodig heeft. Mocht eiser ontevreden zijn over de medische zorg in het detentiecentrum, dan kan hij hierover klagen bij de Commissie van toezicht. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van state (Afdeling) volgt dat de bewaringsrechter niet kan oordelen over de wijze waarop feitelijk uitvoering wordt gegeven aan het regime binnen het detentiecentrum.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.