ECLI:NL:RBDHA:2025:17342

ECLI:NL:RBDHA:2025:17342, Rechtbank Den Haag, 04-09-2025, NL 25.38068

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 04-09-2025
Datum publicatie 26-09-2025
Zaaknummer NL 25.38068
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Amsterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

EU:32018R1860

Samenvatting

Vovo afgewezen. Vovo hangende beroep terugkeerbesluit. RTB derdelanders Oekraïne. Facultatieve tijdelijke bescherming. Arrest Kaduna en Akbez. Niet prematuur terugkeerbesluit. Evenredigheidsbeginsel en belangenafweging. SIS-melding

Uitspraak

[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 2002, met de Marokkaanse nationaliteit,

verzoeker

(gemachtigde: mr. I. Petkovski),

en

de Minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. F. Schoot).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een

voorlopige voorziening van verzoeker. Het verzoek is verbonden met een beroep

(NL25.38067) dat is gericht tegen het terugkeerbesluit van 31 juli 2025. Verzoeker heeft

gevraagd een voorziening te treffen tot op het beroep is beslist. De minister heeft een

verweerschrift uitgebracht.

2. In het terugkeerbesluit staat dat verzoeker vanaf 4 september 2025 vier weken de

tijd heeft om te vertrekken uit de opvang en uit Nederland. Vanaf 4 september 2025 mag hij

niet meer werken. Met het indienen van het verzoek, en de toewijzing daarvan, wil

verzoeker bereiken dat hij, tot op het beroep is beslist, in Nederland mag blijven, in de

opvang en dat hij ook mag blijven werken. Verzoeker heeft verder in het verzoekschrift

aangegeven dat zonder zitting uitspraak kan worden gedaan. De voorzieningenrechter is van

oordeel dat daarom sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 8:83, vierde lid, van de

Algemene wet bestuursrecht (Awb) en doet uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de

rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af en legt hierna uit waarom het

verzoek wordt afgewezen.

5. Verzoeker heeft de Marokkaanse nationaliteit en aan hem was tijdelijke

bescherming verleend op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) voor

ontheemden uit Oekraïne. Verzoeker had niet de Oekraïense nationaliteit maar de

rechtsvoorganger van de minister, de staatssecretaris, heeft ervoor gekozen om facultatieve

tijdelijke bescherming te bieden aan personen die, - kort gezegd – een tijdelijk verblijfrecht hadden in Oekraïne. Verzoeker behoort tot die categorie personen (de zogenaamde

derdelanders).

6. De minister heeft in het terugkeerbesluit verzoeker opgedragen om binnen 4

weken de Europese Unie te verlaten omdat de facultatieve tijdelijke bescherming die hij op

grond van de RTB genoot, na 4 maart 2024 is geëindigd.

7. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft

geoordeeld dat de minister bevoegd was om de facultatieve tijdelijke bescherming te

beëindigen per 4 maart 2024.

8. In het arrest Kaduna en Akbez is geoordeeld dat het verblijf op het grondgebied van de betrokken lidstaat van alle personen die de facultatieve tijdelijke bescherming genieten, niet automatisch illegaal wordt vanaf de datum waarop deze bescherming wordt beëindigd. Zo kunnen sommige van deze personen met name een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend en uit dien hoofde in beginsel het recht hebben om op het grondgebied van de betrokken lidstaat te blijven. Die laatste situatie doet zich in het geval van verzoeker niet voor. Van verblijfsrechtelijke procedures die aan het nemen van een terugkeerbesluit in de weg staan is namelijk niet gebleken. Daarmee is in het geval van verzoeker geen sprake van een situatie waarop het arrest Kaduna van toepassing is.

9. Verzoeker heeft aangevoerd dat het terugkeerbesluit prematuur is genomen omdat

de bescherming eindigt op 4 september 2025. Verzoeker heeft verder aangevoerd dat ook

gelet op artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn het terugkeerbesluit prematuur is genomen. In

ieder geval meent verzoeker dat het schorsen van de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit

niet mogelijk is, waarbij wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 23 april 2025. De minister heeft in Informatiebericht (IB) 2025/17 toegezegd dat de uitspraak van deze rechtbank, deze zittingsplaats zou worden afgewacht en dat de bevriezing zou eindigen 5 weken nadat uitspraak zou zijn gedaan. Op 10 juli 2025 is uitspraak gedaan, het terugkeerbesluit is dus prematuur en in strijd met de toezegging genomen.

Anders dan verzoeker stelt eindigt de facultatieve tijdelijke bescherming op grond

van de RTB niet per 4 september 2025. Uit de hiervoor aangehaalde uitspraak van de

Afdeling van 23 april 2025 volgt immers dat die bescherming eindigde per 4 maart 2024.

Dat de rechten die aan de facultatieve tijdelijke bescherming waren verbonden tot en met 4 september 2025 kunnen worden uitgeoefend, maakt niet dat de bescherming per 4 september 2025 eindigt.

De verwijzing van verzoeker naar artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn kan hem niet

baten. Van de omstandigheden genoemd in het tweede tot het vijfde lid van dit artikel op

grond waarvan moet worden afgezien van het uitvaardigen van een terugkeerbesluit, is in

het geval van verzoeker geen sprake.

De voorzieningenrechter volgt verzoeker evenmin in zijn stelling dat de

rechtsgevolgen van een terugkeerbesluit niet kunnen worden geschorst. De passage die hij

aanhaalt uit de uitspraak van de Afdeling, rechtsoverweging 3.9, waaruit dat volgens

verzoeker volgt, ziet op een andere situatie. Namelijk die waarin de tijdelijke bescherming

nog niet was geëindigd. Dan kan geen terugkeerbesluit worden genomen, ook al was op het

moment dat het terugkeerbesluit werd uitgevaardigd al duidelijk dat de tijdelijke

bescherming kort nadien zou eindigen.

Het betoog van verzoeker over IB 2025/17 slaagt ook niet. Naar het voorlopig

oordeel van de voorzieningenrechter verzet dit IB zich er niet tegen dat tijdens de periode

van bevriezing van de rechtsgevolgen van de beëindiging van de facultatieve tijdelijke

bescherming op grond van de RTB terugkeerbesluiten worden uitgevaardigd. De

voorzieningenrechter wijst er verder op dat de bevriezing, zoals hiervoor ook al is

opgemerkt, eindigt op 4 september 2025, meer dan 5 weken nadat deze rechtbank, deze zittingsplaats, uitspraak heeft gedaan.

10. Verzoeker heeft ook aangevoerd dat het evenredigheidsbeginsel niet is betrokken,

dat er geen beoordeling van de hardheidsclausule is gemaakt en dat er geen enkele

billijkheidsoverweging heeft plaats gehad. Dat had wel gemoeten, zoals het arrest Kaduna en Abkez ook duidelijk maakt. Verzoeker heeft hier een leven opgebouwd en wil niet

terugkeren. Verder mogen groepen verschillend worden behandeld, maar dat is geen

verplichting. Dan is er dus nog een resttoets en een belangenafweging die in het kader van

de evenredigheid moet worden gemaakt.

Dat betoog slaagt niet. Deze grond kan door de verwijzing naar het arrest Kaduna en Akbez , maar ook door de bewoordingen die door verzoeker zijn gebruikt, niet anders worden begrepen dan dat zij is gericht tegen de beëindiging van de facultatieve tijdelijke bescherming. De Afdeling heeft in de uitspraak van 23 april 2025 al geoordeeld dat de minister bevoegd was om de facultatieve tijdelijke bescherming te beëindigen per 4 maart 2024. In wat verzoeker in dit kader aanvoert ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om anders te oordelen dan de Afdeling.

11. Verzoeker voert verder aan dat in het arrest Kaduna en Akbez staat hoe de bescherming op grond van de RTB kan worden beëindigd. De verwijzing in het terugkeerbesluit naar de uitspraak van de Afdeling van 23 april 2025 voldoet niet omdat Afdeling niet heeft voldaan aan de opdracht van het Hof om na te gaan of de door het Hof bedoelde toezegging is gedaan. De toezegging waar de Afdeling iets over heeft gezegd gaat namelijk over de maximale duur van de bescherming, niet over de ongelijke behandeling van de ene groep boven de andere. En die toezegging om beide groepen gelijk te behandelen heeft de minister wel gedaan, althans impliciet.

Ook deze grond ziet op het beëindigen van de facultatieve tijdelijke bescherming, waarover de Afdeling al heeft geoordeeld. De Afdeling heeft in de uitspraak van 17 januari 2024 geoordeeld dat de minister geen toezeggingen heeft gedaan waaruit derdelanders mochten afleiden dat hun tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur daarvan is bereikt. Dat is de toezegging waar het Hof in het arrest Kaduna en Akbez over spreekt. Ook heeft de Afdeling zich uitgelaten over het gelijkheidsbeginsel. De Afdeling concludeert dat er geen sprake is van schending van het Unierechtelijke rechtszekerheids- of het vertrouwensbeginsel. De Afdeling overweegt in de uitspraak van 23 april 2025, onder verwijzing naar de uitspraak van 17 januari 2024, dat er geen reden is om tot een ander oordeel te komen. Wat verzoeker aanvoert geeft de voorzieningenrechter geen aanleiding anders te oordelen.

12. De voorzieningenrechter concludeert dat geen sprake is van een evident onrechtmatig terugkeerbesluit.

13. Verzoeker heeft verder nog aangevoerd dat er geen enkele reden is om een terugkeerbesluit met een SIS-melding op te leggen. Verzoeker heeft geen regels overtreden en de eerdere terugkeerbesluiten zijn vernietigd. Als verzoeker naar een ander EU-land wil gaan, zal de SIS-melding tegen hem kunnen worden gebruikt.

Dat betoog faalt. In artikel 3, eerste lid, van Verordening 2018/1860 staat dat wanneer een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd, onverwijld een signalering inzake

terugkeer in SIS wordt ingevoerd. Omstandigheden op grond waarvan daarvan op grond van

het tweede of derde lid van deze bepaling kon worden afgezien doen zich in het geval van

verzoeker niet voor.

14. Er bestaat geen aanleiding voor het treffen van de gevraagd voorlopige

voorziening. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

15. Er is geen aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van

mr. A.S. Hayas, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A.S. Hayas

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand