Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/320612-22
Datum uitspraak: 19 september 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2003 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
BRP-adres: [adres 1] , [postcode] [woonplaats] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 5 september 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. W. Noort en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. N.M.H.M. den Dekker naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 4 december 2022 te Noordwijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam 1] opzettelijk van het leven te beroven meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de zij en/of de rug, althans het lichaam van die [naam 1] , heeft gestoken terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 4 december 2022 te Noordwijk aan [naam 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten (door steken veroorzaakt) letsel aan de milt, de long en het middenrif (waarvoor operatief ingrijpen noodzakelijk was), heeft toegebracht door (meermalen) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de rug en/of de zij, althans het lichaam van die [naam 1] te steken
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 4 december 2022 te Noordwijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de zij en/of de rug, althans het lichaam van die [naam 1] , heeft gestoken
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde bepleit, omdat geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet op de dood van het slachtoffer of het toebrengen van (zwaar) lichamelijk letsel.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2022364099, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 235).
1. Het proces-verbaal van aangifte door [naam 1] , opgemaakt op 4 december 2022, voor zover inhoudende (p. 23-25):
Afgelopen nacht was ik met vrienden bij [uitgaansgelegenheid 1] op het adres [adres 2] te Noordwijk. Toen kwam er buiten een jongen naar mij toe. Dit werd weer een vechtpartij. Althans, duwen en trekken. Even later rende deze jongen weg richting het strand. Toen zei een van de meiden uit onze groep tegen mij dat ik bloedde. Pas op dat moment kwam ik erachter dat ik gestoken was. Ik ben toen op de grond gevallen of gaan liggen. Door de verplegers in het ziekenhuis is mij net verteld dat ik drie steekwonden heb. De eerste wond zit op mijn arm, dit is een klein sneetje. De tweede wond zit op mijn buik/middenrif aan de linkerkant. Dit is een diepere steekwond. De derde wond zit op mijn rug.
2. Het proces-verbaal van aangifte door [naam 2] , opgemaakt op 4 december 2022, voor zover inhoudende (p. 28-29)
Op 4 december 2022 omstreeks 03:00 uur bevond ik mij in [uitgaansgelegenheid 1] . Ik was daar samen met onder andere mijn broer [naam 1] . Wij stonden op de stoep voor de Horecagelegenheden, ter hoogte van ' [uitgaansgelegenheid 2] ' en ' [uitgaansgelegenheid 3] '. Wij stonden daar ongeveer twee tot drie minuten, toen er vanuit [uitgaansgelegenheid 1] een man onze richting op kwam lopen. Er ontstond vervolgens een worsteling tussen deze man, [naam 1] en mijzelf. Ik zag aan het begin van de worsteling dat man een mes in zijn handen had en hiermee in de lucht stond te zwaaien. Dit mes was circa 15 centimeter lang.
3. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , opgemaakt op 4 december 2022, voor zover inhoudende (p. 44-45):
Ik ben werkzaam voor de Flexteam Security ingehuurd door gemeente Noordwijk, als zijnde de susploeg. Op 4 december 2022, omstreeks 03:00 uur, liep ik samen met mijn collega [naam 3] . Vervolgens zag ik een persoon lopen op de [adres 2] ter hoogte van [uitgaansgelegenheid 1] gaande in de richting van de [uitgaansgelegenheid 3] . Ik zag en
hoorde de jongen, die aan kwam lopen, vroeg wat er aan de hand was. De groep jongeren hadden we weer naar achteren weten te duwen waarop ik mij weer omdraaide naar [naam 3] toe die bij [uitgaansgelegenheid 1] stond. Ik zag dat achter [naam 3] de jongen stond die op de grond was gevallen. Ik zag dat die jongen in zijn rechterhand een mes had. Mij leek het op een zakmes. Ik zag dat de handvat van het mes net zo breed was als zijn handpalm. Ik zag dat het lemmet ongeveer 10 cm betrof. Ik zag dat het handvat zwart van kleur was.
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 4 december 2022, voor zover
inhoudende (p. 48, 51-54 & 56):
Op 4 december 2022 tussen 3:00 uur en 03:30 uur heeft er een steekpartij plaatsgevonden op [adres 2] in Noordwijk voor de aldaar gelegen uitgaansgelegenheden. In dit uitgaansgebied zijn camera's aanwezig. Naar aanleiding van de steekpartij zijn de camerabeelden op 4 december 2022 veiliggesteld ten behoeve van het onderzoek en opgeslagen binnen de interne systemen van politie.
In dit proces-verbaal deed ik onderzoek naar de camerabeelden van de bestanden: Cam 05 Lokatie [locatie 1]
Cam 05 Lokatie [locatie 1]
Na 7 minuten en 15 seconden beeldmateriaal is te zien dat er een man uit [uitgaansgelegenheid 1] komt gelopen. Te zien is dat deze man over het trottoir in de richting loopt van [uitgaansgelegenheid 4] en uit beeld verdwijnt.
Na 8 minuten en 24 seconden komt dezelfde man teruggelopen over het trottoir vanuit de richting van [uitgaansgelegenheid 4] . Te zien is dat de man aan het roken is doorloopt in de richting van de [uitgaansgelegenheid 3] . Te zien is dat deze man de [uitgaansgelegenheid 3] voorbij loopt en uit beeld verdwijnt. In het vervolg van dit proces-verbaal zal ik deze man benoemen als verdachte, omdat later uit het beeldmateriaal blijkt dat deze man de verdachte is in deze zaak.
Na 8 minuten en 54 seconden is te zien dat er een schermutseling plaatsvind op het trottoir voor de [uitgaansgelegenheid 3] . Ik zag dat de verdachte werd vastgehouden door een andere man. Deze man benoem ik in het vervolg van dit proces-verbaal BE1.
Na 9 minuten en 2 seconden zag ik dat het camerabeeld werd bijgedraaid. Ik zag dat de verdachte onder BE1 kroop en hem tegen het hek duwde van de in- en uitgang van de [uitgaansgelegenheid 3] . Ik zag vervolgens dat BE1 op zijn rug op de grond lag en dat de verdachte op zijn knieën zat en bovenop hem lag. Ik zag vervolgens dat de verdachte vier keer een steekbeweging maakte in de richting van de linkerzij van BE1.
5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 5 december 2022, voor zover inhoudende (p. 38-39):
Op 4 december 2022, omstreeks 03:20 uur kreeg ik, verbalisant, samen met
brigadier van politie eenheid Den Haag, de opdracht te gaan naar [adres 2] te Noordwijk. Ik zag toen dat [naam 1] op zijn linker zij, in zijn ribbenkast, aan de zijkant van zijn lichaam, een snee had van ongeveer 5 a 6 centimeter lengte. Ik zag dat deze snee door alle huidlagen heen ging. Voor mijn idee zat deze snee net onder het hart. Ik zag dat uit deze snee behoorlijk wat bloed liep. Ik heb vervolgens mijn gehandschoende hand direct op deze wond gedrukt om het bloeden enigszins te stelpen. Omdat [naam 1] vermindert bewust leek te worden en ik moeite had om goed druk uit te oefenen op deze wond, heb ik hem in de stabiele zijligging gelegd zodat ik maximaal druk kon uitoefenen op deze wond. Toen na enige tijd de ambulance kwam, heb ik op verzoek van de verpleegkundige de wond losgelaten. Ik zag dat er geen bloed meer uit de snee liep. Ik zag ook dat zij de verwonding kort bekeek en hoorde dat zij zei dat zij hem gelijk gingen inladen, hetgeen ook geschiedde. Nadat de arts van het MMT ook was aangekomen en was ingestapt in deze ambulance, is deze ambulance vertrokken richting het LUMC.
Betrokkene
Achternaam: [naam 1]
Voornamen: [naam 1]
6. Het geschrift, te weten Letselbeschrijving [naam 1] , opgemaakt op 12 april 2023, voor zover inhoudende (p. 209):
Naar aanleiding van uw aanvraag medische informatie zijn gegevens ontvangen van: de heer [naam 1] , geboren [geboortedatum 2] 1994.
1. Onderzoek, waargenomen letsel en behandeling
Betrokkene is op 4 en 5 december 2022 opgenomen in het LUMC op de afdeling intensive care nadat hij bij het uitgaan in Noordwijk eerst in een club door meerdere mensen was geslagen en buiten de club door één van de mensen uit de zelfde groep is gestoken.
Bij opvang in het ziekenhuis werd zijn toestand beschreven als "stabiel".
Bij lichamelijk en beeldvormend onderzoek werd het volgende letsel waargenomen:
• Een steekverwonding tussen de 7e en 8e rib links met mogelijke een kleine wond van het longweefsel. Ook was er sprake van vocht in de borstholte, letsel van het middenrif waarbij een gedeelte van de buikinhoud, de dikke darm, uitpuilde in de borstholte. In de diepte een verwonding van de milt met vocht op meerdere plaatsen in de buikholte zonder aanwijzingen voor een actieve bloeding.
• Een steekverwonding in de lende streek op het niveau van de 3e /4e lendenwervel, verlopend net achter de doornuitsteeksels van de wervels en doorlopend naar het niveau van de 4e lende wervel.
• Een steekverwonding in de linker onderarm.
Op 6 december 2022 werd betrokkene geopereerd, bij de operatie werd de in de borstholte uitpuilende dikke darm teruggebracht in de buikholte en de scheur in het middenrif gehecht. Er is geen nadere informatie meegezonden over de behandeling van de steekwonden.
2. Genezing en genezingsduur
In het algemeen valt te stellen dat de steekverwondingen en de mogelijke operatiewonden bij ongecompliceerd verloop in enkele weken zullen genezen met littekenvorming.
3. Conclusie
Steekverwondingen in borst, rug en onderarm. Beschadiging van meerdere inwendige organen en structuren zoals de milt, de long en het middenrif. Operatief herstel noodzakelijk.
8. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 5 september 2025, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik met twee vrienden in [uitgaansgelegenheid 1] was. Niet veel later waren ik en mijn twee vrienden van plan om naar huis te gaan. Ik ben met mijn twee vrienden naar buiten gelopen. Wij liepen richting de auto. Halverwege ben ik teruggelopen. De voorzitter laat mij de camerabeelden zien van die avond. Ik zie op de beelden dat ik uit [uitgaansgelegenheid 1] kom en dat ik eerst richting [uitgaansgelegenheid 4] loop, uit beeld verdwijn en vervolgens weer in beeld kom en in een rechte lijn richting de groep van [naam 1] loop die aan de linkerkant op de stoep voor [uitgaansgelegenheid 3] staat. Daar hebben we met elkaar gesproken en is er een worsteling ontstaan. Het klopt dat ik op een bepaald moment mijn mes uit mijn zak heb gepakt. De voorzitter laat mij vervolgens de beelden zien van het bestand: Cam 05 Lokatie [locatie 1] . Ik zie op de beelden dat ik tijdens de worsteling met onder andere [naam 1] op een bepaald moment bovenop [naam 1] ben, terwijl [naam 1] onder mij ligt met zijn rug richting de grond. Ik zie ook dat ik vervolgens vier keer een beweging maak met mijn rechterarm. Deze bewegingen worden door de politie beschreven als steekbewegingen.
Ik heb [naam 1] tijdens de worsteling een aantal keer met het mes geraakt.
Bewijsoverwegingen
Oorzaak van het letsel
Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte meerdere malen met een mes in het bovenlichaam van [naam 1] (hierna: [naam 1] ) heeft gestoken. Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders zijn dan dat de steekverwondingen van [naam 1] zijn veroorzaakt door de verdachte toen hij bovenop [naam 1] zat en de stekende bewegingen maakte. De verdachte heeft verklaard dat hij een mes uit zijn zak heeft gehaald en dat hij [naam 1] tijdens de worsteling heeft geraakt met het mes. Tijdens de worsteling zijn slechts een paar contactmomenten tussen de verdachte en [naam 1] geweest en uitsluitend op het moment dat de verdachte zich op [naam 1] bevindt, is op de beelden te zien dat de verdachte met zijn rechterarm vier steekbewegingen maakt in de richting van de linkerzij van [naam 1] . De steekverwondingen die [naam 1] heeft opgelopen, bevinden zich ook in die omgeving, namelijk in de linkerzij, de lendestreek en de linker onderarm. Tot slot zijn de verdachte en [naam 1] direct na deze steekbewegingen uit elkaar gehaald en heeft de toezichthouder gezien dat de verdachte een mes in zijn rechterhand had.
Poging tot doodslag
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het handelen van de verdachte, het meermalen steken met een mes van [naam 1] , moet worden aangemerkt als een poging tot doodslag.
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte geen opzet op de dood van [naam 1] heeft gehad, omdat – kort samengevat – de verdachte in paniek heeft gestoken, de verdachte geen rationale afweging heeft gemaakt, het letsel het onbedoelde gevolg is van een chaotische situatie, de verdachte het mes niet bewust heeft meegenomen en de verdachte pas later besefte dat hij had gestoken.
Geen vol opzet
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag is vereist dat de verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, opzet heeft gehad op de dood van de aangever. De rechtbank ziet geen aanwijzingen in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting dat de verdachte ‘vol’ opzet had op de dood van [naam 1] , in die zin dat de verdachte bewust op [naam 1] heeft ingestoken met het doel om hem te doden. De vraag is dan ook of de verdachte wel voorwaardelijk opzet op de dood van [naam 1] heeft gehad.
Voorwaardelijk opzet
De rechtbank overweegt dat er sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer, indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat de verdachte tijdens een worsteling in een dynamische situatie met een mes met een lemmet van ongeveer tien centimeter vier stekende bewegingen heeft gemaakt richting het bovenlichaam, de linkerzij, van [naam 1] terwijl die [naam 1] op met zijn rug richting de grond lag. [naam 1] heeft als gevolg daarvan in ieder geval drie steekverwondingen opgelopen; een steekletsel in de linkerarm, een steekletsel in de lendenstreek en een steekverwonding tussen de zeven en achtste rib links.
Naar algemene ervaringsregels levert het steken op een dergelijke plek in het bovenlichaam een aanmerkelijke kans op de dood op: het is een feit van algemene bekendheid dat zich in (de linkerzijde van) het bovenlichaam vitale organen bevinden. Als deze geraakt worden is in de regel sprake van een levensbedreigende situatie die tot de dood van het slachtoffer kan leiden. De verdachte heeft ook vitale organen geraakt. Door deze steekverwondingen is er immers vocht in de borstholte, een scheur in het middenrif en een verwonding aan de milt ontstaan. Door het letsel aan het middenrif puilde de dikke darm uit in de borstholte. Het slachtoffer is opgenomen in het ziekenhuis en heeft 4 en 5 december 2022 op de intensive care verbleven en medisch ingrijpen was noodzakelijk. Nu het algemene ervaringsregels betreft heeft iedereen, dus ook de verdachte, wetenschap van het bestaan van deze aanmerkelijke kans. Dat de verdachte desondanks [naam 1] in de voornoemde situatie meerdere malen richting het bovenlichaam steekbeweging heeft gemaakt, moet naar haar uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte die aanmerkelijke kans ook heeft aanvaard. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de verdachte minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de primair tenlastegelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend kan worden bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het primair ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 4 december 2022 te Noordwijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam 1] opzettelijk van het leven te beroven meermalen met een mes, in de zij en de rug van die [naam 1] heeft gestoken terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de verdachte
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hem een geslaagd beroep op noodweer toekomt. Ter onderbouwing heeft de raadsvrouw aangevoerd dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijk aanranding omdat de verdachte door meerdere personen tegelijk werd geslagen en geschopt. Verder heeft zij aangevoerd dat vluchten onmogelijk was, dat de verdachte proportioneel heeft gehandeld en dat de verdachte niet als eerste geweld heeft gebruikt.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen beroep op noodweer toekomt nu het handelen van de verdachte dat tot het incident heeft geleid – het op [naam 1] aflopen en als eerste gebruiken van fors geweld – en het steken zelf als puur aanvallend te typeren zijn en dus sprake is van culpa in causa. Verder heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat de verdachte een uitweg had en zich dus had kunnen onttrekken aan de situatie.
Het oordeel van de rechtbank
Juridisch kader van noodweer
De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd op beroep op noodweer ex artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna ook: Sr) is vereist dat sprake is van een verdedigings(wil), tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, die het lijf, eerbaarheid of een goed betreft, welke verdediging noodzakelijk en proportioneel is.
Daarbij geldt dat gedragingen van de verdachte die aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer zijn voorafgegaan, aan een beroep op noodweer(exces) in de weg kunnen staan vanwege eigen schuld (culpa in casa). Dit is slechts het geval bij bijzondere omstandigheden. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de verdachte de aanval heeft uitgelokt door provocatie van het latere slachtoffer en hij aldus uit was op een confrontatie, of wanneer hij willens en wetens de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht en een gewelddadige reactie van het slachtoffer heeft uitgelokt. De enkele omstandigheid dat een verdachte zich willens en wetens in een situatie heeft begeven waarin een agressieve reactie van het latere slachtoffer te verwachten viel of dat een verdachte zich in verband met een mogelijke aanval van het slachtoffer als voorzorgsmaatregel van een wapen had voorzien, is daartoe evenwel onvoldoende.
Vaststelling van de feiten
Voor de beoordeling van het verweer dient de rechtbank eerst de feitelijke omstandigheden vast te stellen. Ten aanzien van hetgeen gebeurd is in de nacht van 4 december 2022 op [adres 2] in Noordwijk baseert de rechtbank zich op de feiten en omstandigheden die uit de gebruikte bewijsmiddelen volgen en de terechtzitting afgespeelde camerabeelden van de gemeente Noordwijk, meer specifiek gaat het om de volgende beelden: Cam 05 Lokatie [locatie 1] , Cam A07_20221204033905 en Cam 08 [locatie 2] .
In de nacht van 4 december 2022 stond [naam 1] samen met onder andere zijn broer [naam 2] (hierna ook: [naam 2] ) en twee andere vrienden op trottoir in de buurt van [uitgaansgelegenheid 1] en [uitgaansgelegenheid 3] , gelegen aan [adres 2] te Noordwijk. [naam 1] was eerder die avond na een opstootje, waarbij de verdachte ook betrokken was, uit [uitgaansgelegenheid 1] gezet. De verdachte was betrokken bij dit opstootje. De verdachte is na [naam 1] vertrokken uit [uitgaansgelegenheid 1] . Nadat de verdachte de club had verlaten liep hij blijkens de camerabeelden richting horecagelegenheid [uitgaansgelegenheid 4] , weg van [naam 1] . Op de camerabeelden is te zien dat de verdachte een kleine minuut later terugliep in de richting van [uitgaansgelegenheid 1] en [uitgaansgelegenheid 3] . De verdachte liep in een rechte lijn naar [naam 1] en zijn vrienden, en ging bij hun groepje staan.
Op grond van het dossier staat niet vast wat er vervolgens is gezegd. Uit de camerabeelden blijkt dat kort na het moment dat de verdachte bij het groepje van [naam 1] kwam staan, een worsteling ontstond. Blijkens de camerabeelden deed de verdachte een stap naar achteren en liep hij opzij. De verdachte en [naam 1] pakten elkaar vast en de verdachte gaf een ruk waardoor [naam 1] midden op de weg ten val kwam. De schermutseling zette zich vervolgens voort tussen de verdachte en [naam 2] , de broer van [naam 1] . [naam 1] stond op en liep vervolgens richting de verdachte. De verdachte probeerde [naam 1] van zich af te houden waardoor [naam 1] weer ten val kwam. Op een gegeven moment zijn vier personen onderdeel van de schermutseling; de verdachte, [naam 1] , [naam 2] en een vriend van [naam 2] en [naam 1] . Een van de personen betrokken bij de schermutseling pakte de verdachte vanaf achteren om zijn nek en trok hem naar de grond, waardoor de verdachte op zijn rug terechtkwam. Terwijl de verdachte op de grond lag en zich probeerde om te draaien, had een persoon hem nog steeds vast in de kraag. [naam 2] gaf de verdachte vervolgens een schop ter hoogte van het bovenlichaam van de verdachte. [naam 2] kwam hierbij ten val. [naam 1] dook vervolgens op de verdachte. De verdachte kroop daarna op [naam 1] en duwde hem tegen de in- en uitgang van [uitgaansgelegenheid 3] . [naam 1] lag op zijn rug en de verdachte zat op zijn knieën bovenop hem. Vervolgens heeft de verdachte met een mes vier steekbewegingen in de richting van de linkerzij van [naam 1] gemaakt en heeft [naam 1] in ieder geval steekverwondingen opgelopen. Daarna hebben de toezichthouders van het Flexteam de partijen uit elkaar gehaald.
Beoordeling
Ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding
Gelet op de hiervoor genoemde vaststellingen, is de rechtbank van oordeel dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. Nadat de verdachte bij het groepje van [naam 1] kwam staan, is een chaotische schermutseling ontstaan, waarin [naam 1] en zijn vrienden de getalsmatige meerderheid hadden. De verdachte moest zich al snel verweren tegen in ieder geval drie personen, werd naar de grond gewerkt, en kreeg een schop terwijl hij op de grond lag. Op basis van de vastgestelde feiten en het hiervoor overwogene, is de rechtbank van oordeel dat er voor de verdachte geen reële mogelijkheid was om zich tijdens de worsteling te onttrekken aan de situatie, dit mede gelet op de korte duur van de worsteling en de snelheid waarmee de worsteling begon en ook weer eindigde.
Geen culpa in causa
De rechtbank is van oordeel dat deze ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding niet aan de eigen schuld (culpa in causa) van de verdachte te wijten is. De verdachte heeft aan het einde van een uitgaansavond in beschonken toestand een groep aangesproken waarmee de verdachte eerder op de avond onenigheid had gehad. Dit is achteraf weliswaar onverstandig te noemen, maar dat de verdachte zich begaf in een situatie waarin mogelijk een reactie van [naam 1] zou komen is onvoldoende om aan te nemen dat de verdachte zijn recht op zelfverdediging had verloren. Niet is gebleken dat de verdachte een gewelddadige confrontatie met [naam 1] heeft uitgelokt door provocatie dan wel dat hij willens en wetens heeft aangestuurd op een fysieke confrontatie. Op de camerabeelden is weliswaar te zien dat de in een rechte lijn op de groep van [naam 1] toeliep, maar de verdachte liep op een rustig tempo en zonder zichtbare agressieve lichaamshouding. Voorafgaand aan de eerste geweldshandelingen doet de verdachte een stap achteruit en het lijkt [naam 2] te zijn geweest die als eerste een duw geeft. In het dossier zitten bovendien geen verklaringen van onafhankelijke getuigen die verklaren dat de verdachte voorafgaand aan het incident agressief of provocerend was, terwijl een getuige van de susploeg wel verklaart dat de broer van het latere slachtoffer ( [naam 2] ) boos was over de ruzie in de club en zei dat daaraan wat gedaan moest worden. Dit wijst eerder op een escalatie vanuit de groep van [naam 1] , dan op een escalatie vanuit de verdachte. Er zijn dus onvoldoende aanknopingspunten voor eigen schuld van de verdachte.
Disproportioneel
De verdachte mocht zich dus verdedigen tegen de groep van [naam 1] . De rechtbank is echter van oordeel dat niet wordt voldaan aan de eerder genoemde proportionaliteitseis, nu het door de verdachte gebruikte verdedigingsmiddel en de wijze waarop dit is gebruikt niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van de aanranding. Van de verdachte had in redelijkheid mogen worden gevergd dat hij zich op een minder ingrijpende wijze tegen het fysieke geweld en de dreigende situatie had verdedigd dan het drie- tot viermaal steken met een mes in de richting van het bovenlichaam van [naam 1] waarin zich vitale organen en aders bevinden, terwijl [naam 1] op dat moment met zijn rug richting de grond lag en de verdachte bovenop hem zat. Daarbij acht de rechtbank het van belang dat niet is gebleken dat [naam 1] , [naam 2] en/of de vriend van ten tijde van de worsteling een wapen bij zich had(den).
Conclusie
De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op noodweer.
De rechtbank is gelet op hetgeen hiervoor overwogen van oordeel dat het bewezen verklaarde volgens de wet strafbaar is, omdat voor het overige ook geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit.
5. De strafbaarheid van de verdachte
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, mocht het beroep op noodweer niet slagen, de verdachte in elk geval een beroep op noodweerexces toekomt en daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld in een hevige gemoedsbeweging. De verdachte verkeerde in paniek en in doodsangst en heeft daarom het mes gebruikt.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is is geworden dat sprake was van een hevige gemoedsbeweging.
Het oordeel van de rechtbank
Juridisch kader van noodweerexces
De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of aan de verdachte een geslaagd beroep op noodweerexces toekomt. Van noodweerexces is sprake indien de grenzen van de noodzakelijke verdediging verontschuldigbaar worden overschreden. Op grond van artikel 41, tweede lid, Sr is een overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging verontschuldigbaar, als zij het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die door de aanranding is veroorzaakt. Hierbij moet worden gekeken naar de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging.
Beoordeling
De reactie van de verdachte acht de rechtbank een bijzonder grote overschrijding van de grenzen van de noodzakelijk verdediging tegen het handelen van [naam 1] , nu het handelen van de verdachte in geen enkele verhouding stond tot de aard en ernst van de aanranding.
Verder acht de rechtbank het niet aannemelijk geworden dat de door de verdachte genoemde omstandigheden hebben geleid tot de door hem gestelde hevige gemoedsbeweging. De verdachte heeft immers geen consistente duiding gegeven over wat heeft geleid tot de hevige gemoedsbeweging, de hevige gemoedsbeweging zelf en welke innerlijke beweegreden ertoe heeft geleid dat hij uiteindelijk meermalen heeft gestoken in het bovenlichaam van [naam 1] . De rechtbank licht dit hieronder toe.
De verdachte heeft in zijn verhoor op 7 december 2022 verklaard dat hij met de groep, waarvan [naam 1] deel uitmaakte, in gesprek was over het opstootje in [uitgaansgelegenheid 1] . Uiteindelijk voelde de verdachte zich tijdens het gesprek aangevallen, en deed daardoor passen naar achteren. De verdachte verklaarde verder dat hij wel een mes uit zijn zak trok, omdat hij dacht dat het uit de hand zou lopen. De verdachte wilde ze bang maken. Het doel van de verdachte was om afstand te maken. Nadat hij zijn mes had getrokken, zou de verdachte klem zijn gezet en naar de grond zijn getrokken. Tijdens de worsteling lukte het de verdachte niet om eruit te komen. Vervolgens zou de verdachte iemand naar de grond hebben gehaald door hem bij de benen naar de grond te trekken. De verdachte zou bij het naar beneden halen van iemand vergeten zijn dat hij nog dat mes in zijn handen had. Hij had het gevoel dat hij die persoon drie keer in zijn been heeft geraakt.
Op 9 december 2022 verklaarde de verdachte bij de rechter-commissaris dat hij per ongeluk heeft gestoken, dat het steken niet zijn bedoeling was en dat hij de volgende dag pas begreep dat er iemand was gestoken.
Eerst op 19 december 2022, twee weken na het incident, heeft de verdachte iets verklaard over zijn beweerde hevige gemoedsbeweging. Hij heeft toen verklaard dat hij uit de situatie moest omdat hij anders was doodgegaan door de schoenen van die jongens en dat hij eerder in 2019 een steekincident heeft meegemaakt en destijds ook op hem geschoten was. De verdachte heeft wederom verklaard iemand naar de grond te hebben getrokken en was vergeten dat hij een mes in zijn handen had.
Ter terechtzitting is de verdachte kritisch bevraagd over de hevige gemoedsbeweging, waarbij de verdachte meerdere malen heeft verklaard dat hij het niet meer precies weet hoe het is gegaan en dat hij bang was en dat die angst mede veroorzaakt werd door de steekpartij die hij eerder in 2019 heeft meegemaakt.
Uit het voorgaande volgt dat de hevige gemoedsbeweging waarop de verdachte zich beroept in het licht van de inconsistenties tussen de door hem daaromtrent afgelegde verklaringen niet aannemelijk is geworden.
Ook is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van de verdachte over door hem toegepaste verdedigingshandelingen – het per ongeluk steken in het been van [naam 1] , terwijl hij onbewust een mes in zijn hand had – in het geheel niet strookt met de geweldshandelingen die de verdachte daadwerkelijk heeft verricht – het ten minste drie stekende bewegingen maken in het bovenlichaam van [naam 1] , terwijl deze laatste met zijn rug richting de grond ligt. Aan deze tegenstrijdigheid komt niet alleen op zichzelf al betekenis toe bij de beoordeling van de aannemelijkheid van het verweer, maar ook omdat het per ongeluk steken met een vergeten mes zich moeilijk laat rijmen met een veroorzaakte gemoedsbeweging die tot het meermalen steken in het bovenlichaam heeft geleid. De slotsom is dat het verweer niet kan worden aanvaard.
Conclusie
Op basis van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de door de verdachte gepleegde poging tot doodslag niet kan worden aangemerkt als een onmiddellijk gevolg van een door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. De rechtbank verwerpt dus ook het beroep op noodweerexces.
Nu ook voor het overige geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, is de verdachte strafbaar.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht – indien zij tot een bewezenverklaring komt – om toepassing te geven aan het adolescentenstrafrecht. Ter onderbouwing heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat de verdachte ten tijde van het delict negentien jaar oud was en uit het Pro Justitia rapport blijkt dat de verdachte een behoorlijk bewogen jeugd en verleden heeft gehad. Voorts heeft zij de rechtbank verzocht om, gelet op de persoonlijke omstandigheden, de maatschappelijke inbedding van de verdachte en omstandigheden van het incident, een (deels) voorwaardelijke straf, zonder onvoorwaardelijke gevangenisstraf, op te leggen.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich op 4 december 2022 schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door het slachtoffer meerder keren in zijn bovenlichaam te steken. Daardoor heeft het slachtoffer ernstig letsel opgelopen aan onder meer zijn middenrif en dikke darm, wat operatief hersteld moest worden. Dat het incident geen fatale afloop heeft gehad is een gelukkige omstandigheid die niet aan het handelen van de verdachte te wijten is. De verdachte heeft met zijn handelen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De rechtbank weegt voorts in het nadeel van de verdachte mee dat sprake is van uitgaansgeweld. Uitgaansgeweld leidt tot onrust en gevoelens van onveiligheid, zowel bij het slachtoffer als ook bij de samenleving in zijn geheel. Ook weegt de rechtbank in het nadeel van de verdachte mee dat de verdachte een mes heeft meegenomen tijdens het uitgaan en dit heeft gebruikt, nadat hij eerder op de avond betrokken was bij een ruzie met het slachtoffer.
De rechtbank weegt in strafmatigende zin mee dat het slachtoffer en zijn vrienden een aandeel hebben gehad in het ontstaan van de vechtpartij, dat zij zich in het geweld ook bepaald niet onbetuigd hebben gelaten richting de verdachte en dat er sprake was van een noodweersituatie waarin de verdachte zich mocht verdedigen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 8 mei 2023. Hieruit volgt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het Pro Justitia rapport van 7 februari 2023. Hieruit volgt dat de verdachte niet mee heeft willen werken aan het onderzoek. De rapporteur heeft hierdoor de vragen niet kunnen beantwoorden.
Geen toepassing van het jeugdstrafrecht
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de verdachte bestraft moet worden volgens het jeugdstrafrecht – zoals door de raadsvrouw bepleit – of volgens het volwassenenstrafrecht. De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies ten behoeve van de voorgeleiding bij de rechter-commissaris van 8 december 2023. De reclasseringswerker formuleert in dit rapport het (voorlopige) advies om het volwassenenstrafrecht toe te passen, omdat de verdachte een volledig zelfstandig bestaan leeft, hij ouder overkomt dan zijn kalenderleeftijd en de verdachte niet de indruk wekt dat er nog sprake is van pedagogische beïnvloeding en deze er zou moeten zijn. De rechtbank neemt dit advies over en zal het volwassenenstrafrecht toepassen.
Overschrijding redelijke termijn
De rechtbank stelt vast dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mensen en de fundamentele vrijheden. De verdachte is immers op 6 december 2022 in verzekering gesteld en de rechtbank wijst vonnis op 19 september 2025. Dit betekent dat de redelijke termijn met ruim negen maanden is overschreden.
Strafmodaliteit en strafmaat
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur. Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding. In beginsel is de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf passend en geboden. De rechtbank houdt echter meer dan de officier van justitie deed rekening met het feit dat de verdachte ten tijde van het plegen van het strafbare feit in een noodweersituatie verkeerde. Het bewezenverklaarde feit zou in beginsel volgens de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden rechtvaardigen. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn, zal de rechtbank de duur van de gevangenisstraf met twee maanden matigen.
De rechtbank acht dus een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tweeëntwintig maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel
[naam 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 17.302,47, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 5.302,47 aan materiële schade en € 12.000,00 aan immateriële schade.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij inclusief wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich namens de verdachte primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard nu de verdediging vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging heeft bepleit. Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de verdediging ten aanzien van de materiële schadevergoeding subsidiair verzocht om de posten “verlies aan inkomen” en “kosten verzorging thuis/ dagvergoeding thuisverzorging” niet-ontvankelijk te verklaren of te matigen wegens onvoldoende onderbouwing. De post “beschadigde kleding” dient tevens niet-ontvankelijk te worden verklaard dan wel gematigd te worden naar een bedrag van maximaal € 30,00 wegens het ontbreken van een aankoopbewijs. De post “daggeld ziekenhuisopname” kan worden toegewezen, aldus de verdediging. Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade heeft de verdediging de rechtbank verzocht om deze te matigen tot een bedrag van maximaal € 2.500 tot € 3.000.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank zal de post “vergoeding partner verzorging thuis” afwijzen nu de vordering op dit punt onvoldoende is onderbouwd. Op grond van de onderbouwing staat niet vast dat de partner van de benadeelde partij verzorgingshandelingen heeft verricht waarvoor anders betaalde hulp nodig was geweest.
De rechtbank zal tevens de post “daggeld vergoeding ziekenhuis” afwijzen, omdat niet is gesteld dat de verdachte kosten heeft moeten maken omdat hij in het ziekenhuis heeft verbleven.
De rechtbank zal de post “beschadiging kleding” deels toewijzen tot een bedrag van € 100,00. Uit het dossier blijkt dat de kleding van de verdachte door het bewezenverklaarde feit is beschadigd. De benadeelde partij heeft geen aankoopbonnen of overige stukken overgelegd waaruit volgt dat de kleding een dagwaarde had van € 400,00. De rechtbank zal gelet hierop gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en de geleden schade vaststellen op een bedrag van € 100,00. Voor het overige wordt dit deel van de vordering afgewezen.
Ten aanzien van de post “verlies aan inkomen” overweegt de rechtbank als volgt. De benadeelde partij heeft voldoende onderbouwd dat hij door het bewezenverklaarde feit in de maand december 2022 niet heeft kunnen werken en dat hij hierdoor inkomen heeft misgelopen. De benadeelde partij heeft een loonstrook van november 2022 ter onderbouwing overgelegd, waaruit volgt dat zijn inkomen in die maand € 1.921,47 was. De rechtbank acht het aannemelijk dat de benadeelde partij in december 2022 een vergelijkbaar inkomen had kunnen verwerven als hij niet door de verdachte was neergestoken. De rechtbank zal dan ook het gevorderde bedrag van € 1.921,47 toewijzen.
De rechtbank ziet dit echter anders ten aanzien van het gevorderde bedrag vanwege het mislopen van inkomen in januari 2023. De verdachte heeft betwist dat zijn handelen tot verlies van inkomen bij de benadeelde partij heeft geleid in januari 2023. De benadeelde partij heeft weliswaar een e-mail bijgevoegd waarin een beoogd werkgever afhaakt voor een contract per januari 2023, maar in de e-mail wordt geschreven over een gezamenlijk besluit van de mogelijk nieuwe werkgever en de benadeelde partij om geen arbeidsovereenkomst met elkaar aan te gaan. Het staat dus niet vast dat dit besluit aan het handelen van de verdachte te wijten is. De rechtbank zal dit deel van de vordering dan ook niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou immers een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. Door het handelen van de verdachte heeft de benadeelde partij lichamelijk letsel opgelopen. Daarom heeft de benadeelde partij op grond van artikel 6:106, eerste lid, sub b, van het Burgerlijk Wetboek recht op smartengeld. Het gaat om ernstig letsel. Tegelijkertijd is het letsel goed hersteld, behoudens het bestaan van littekens op het bovenlichaam. Dat het incident psychisch ingrijpend is geweest voor de benadeelde partij is goed invoelbaar. Uit de onderbouwing van de benadeelde partij blijkt echter niet dat de benadeelde partij (geobjectiveerd) psychische letsel heeft opgelopen.
Gelet hierop en op de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 6.000,00. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van de immateriële schade voor het overige afwijzen.
Conclusie
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 8.021,47, bestaande uit € 2.021,47 aan materiële schade en € 6.000,00 aan immateriële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 4 december 2022, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 8.021,47, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 4 december 2022 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [naam 1] .
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
- 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1 primair:
poging tot doodslag
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 22 (TWEEËNTWINTIG) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
de vordering van de benadeelde partij [naam 1]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag
€ 8.021,47 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 4 december 2022 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [naam 1] ;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk voor zover de vordering betrekking heeft op het inkomstenverlies in januari 2023, en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
wijst de vordering tot schadevergoeding van [naam 1] voor het overige af;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van
€ 8.021,47,vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 4 december 2022 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [naam 1] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 75 (VIJFENZEVENTIG) dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.M.A. de Koning, voorzitter,
mr. F.X. Cozijn, rechter,
mr. J.M. Meester, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. K. Muijsert, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 september 2025.