ECLI:NL:RBDHA:2025:17401

ECLI:NL:RBDHA:2025:17401, Rechtbank Den Haag, 23-09-2025, NL25.43111

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 23-09-2025
Datum publicatie 24-09-2025
Zaaknummer NL25.43111
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854

Samenvatting

Bewaring, beroep, strafrechtelijk voortraject, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser]

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.43111

[v-nummer]

(gemachtigde: mr. D. Schaap),

en

(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).

Procesverloop

Bij besluit van 6 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen C. Regasa. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Strafrechtelijk voortraject

1. Eiser betoogt dat de maatregel van bewaring vanaf het begin onrechtmatig is, omdat niet duidelijk is hoe hij in de macht van verweerder is gekomen. Volgens het dossier zijn verbalisanten afgekomen op een melding van vier mannen die uit een vrachtwagen waren geklommen en gevlucht. Twee van hen zijn strafrechtelijk aangehouden, maar uit de stukken blijkt niet duidelijk dat eiser een van hen is. Dat in een stuk staat vermeld dat eiser op 6 september 2025 om 11:20 uur strafrechtelijk is voorgeleid, is in dit verband onvoldoende. Onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 29 september 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:14656, betoogt eiser dat de bewaringsrechter zich wel mag uitlaten over het strafrechtelijk voortraject.

2. De rechtbank is van oordeel dat genoegzaam is gebleken dat eiser via een strafrechtelijk voortraject in de macht van verweerder is gekomen. Er bevindt zich immers een proces-verbaal van aanhouding van eiser op 6 september 2025 om 8:15 uur in het dossier wegens overtreding van artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht, in samenhang met de artikelen 447e en 461 van het Wetboek van Strafrecht. Dit komt overeen met de feitelijke situatie en tijdstippen geschetst in de processen-verbaal van bevindingen. Dat eisers naam daarin niet expliciet wordt genoemd, leidt de rechtbank niet tot de conclusie dat niet kan worden uitgegaan van het proces-verbaal van aanhouding. Daarbij komt dat eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verklaard dat hij in een vrachtauto is gestapt met als doel naar het Verenigd Koninkrijk te reizen, en dat het niet de bedoeling was om in de Rotterdamse haven terecht te komen. De door eiser afgelegde verklaring komt ook geheel overeen met de feitelijke situatie ten tijde van zijn aanhouding. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om eraan te twijfelen dat voorafgaand aan de inbewaringstelling sprake is geweest van een strafrechtelijk voortraject. Dit voortraject ligt ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State niet ter toetsing voor. De door eiser aangehaalde uitspraak is voor de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

3. Eiser heeft verder geen gronden aangevoerd. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.M.J. Adriaansen

Griffier

  • mr. M. Stehouwer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand