RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.49938
(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Sánchez Rhemrev).
Procesverloop
Bij besluit van 5 december 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de weigering om aan zijn dochter een mvv te verlenen ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 28 augustus 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
Bijkomende elementen van afhankelijkheid
De rechtbank oordeelt als volgt.
Juridisch kader
5. Het jongvolwassenenbeleid kent 4 cumulatieve vereisten: het meerderjarig kind moet jongvolwassen zijn, met zijn ouder(s) in gezinsverband samenleven, niet in zijn eigen onderhoud voorzien en geen zelfstandig gezin hebben gevormd. Als hier geen geslaagd beroep op kan worden gedaan, dient te worden gekeken of sprake is van familie of gezinsleven.
6. Uit vaste rechtspraak van het EHRM volgt dat pas kan worden gesproken van een door artikel 8 EVRM beschermd gezinsleven tussen ouders en meerderjarige kinderen wanneer sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Hierbij moet sprake zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Of sprake is van een beschermd gezinsleven van feitelijke aard is afhankelijk van het daadwerkelijke bestaan van hechte, persoonlijke banden. Hierbij is bijvoorbeeld van belang of de familieleden hebben samengewoond, de mate van emotionele of financiële afhankelijkheid, medische omstandigheden en de banden met het land van herkomst. Al deze voorbeelden moeten in samenhang worden bezien. In het arrest Savran concludeert het Hof dat geen sprake is van familie- of gezinsleven zonder bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen een meerderjarig kind en zijn familieleden, omdat hij niet bij zijn familie woonde.
Jongvolwassenenbeleid
7. Verweerder heeft zich niet ten onrechte en voldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat [de dochter] , als jongvolwassene, niet in aanmerking komt voor het jongvolwassenenbeleid omdat niet aan alle cumulatieve criteria wordt voldaan. Hiertoe heeft verweerder kunnen overwegen dat [de dochter] is gehuwd en uit de relatie met [persoon] een kind is geboren. Dit wordt door [de dochter] en eiser ook niet betwist. [de dochter] heeft haar eigen gezin gesticht en verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de feitelijke gezinsband daardoor is verbroken. De vraag of er sprake is geweest van een rechtsgeldig huwelijk tussen [persoon] en [de dochter] doet geen afbreuk aan de verbreking van de feitelijke gezinsband. Daarbij heeft verweerder kunnen overwegen dat eiser geen verklaring heeft gegeven voor het verschil tussen de verklaringen over [persoon] van hem en die van [de dochter] . De stelling dat [de dochter] zou zijn misleid door [persoon] en dat zij ten tijde van haar gehoor onder invloed van hem was, is niet onderbouwd. De stelling dat eiser en [de dochter] niet gebaat zijn bij een onjuiste voorstelling van zaken ten aanzien van [de dochter] relatie met [persoon] treft geen doel en leidt daarom niet tot een ander oordeel.
Artikel 4:84 Awb
8. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die afwijking van het beleid van verweerder rechtvaardigen. Hierbij is van belang dat het beroep op dit artikel niet nader is onderbouwd en, zoals hierna zal worden overwogen, niet is gebleken van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
9. Verweerder heeft verder kunnen overwegen dat ten aanzien van eiser en [de dochter] geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De rechtbank stelt vast dat de beroepsgronden van eiser een herhaling betreffen van de gronden die eiser in bezwaar heeft ingediend. Hier is door verweerder voldoende deugdelijk op gereageerd in het bestreden besluit. Zo heeft verweerder kunnen overwegen dat het aan eiser en [de dochter] is om te onderbouwen dat het levensonderhoud van [de dochter] ten laste komt van eiser. Zij hebben echter niets aangedragen waaruit de financiële afhankelijkheid van [de dochter] blijkt. De stellingen dat [de dochter] niet langer geld van [persoon] ontvangt en niet in staat is om werkzaamheden te verrichten in Libanon zijn evenmin nader onderbouwd.
10. Verweerder stelt in het bestreden besluit, en opnieuw in het verweerschrift, terecht dat [de dochter] emotionele afhankelijkheid van haar ouders niet nader is onderbouwd. Dat [de dochter] intensief contact met eiser heeft, zij elkaar nodig hebben en dat de afstand het bemoeilijkt om er voor elkaar te zijn, is onvoldoende gemotiveerd en leidt niet tot een ander oordeel.
Belangenafweging
11. Nu verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de feitelijke gezinsband tussen [de dochter] en haar ouders is verbroken en dat er dus geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM, heeft verweerder in dit kader geen belangenafweging meer hoeven maken.
Conclusie
12. Gelet op het voorgaande heeft verweerder het bezwaar terecht ongegrond verklaard. Het beroep is ongegrond.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 22 september 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.