Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. De ingangsdatum mag ook in het verleden of in de toekomst liggen. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om de eventuele kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van deze beschikking. De man heeft zijn verzoek binnen tien dagen voor de zitting nog ingrijpend gewijzigd. Door de manier van procederen van de man is voor de vrouw niet eerder duidelijk geworden waar zij rekening mee moest houden.
Gezin 1: man en vrouw met [minderjarige 2] en [minderjarige 1]
Behoefte [minderjarige 2] en [minderjarige 1]
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in 2019 ten tijde van het opstellen van het ouderschapsplan € 1.380,- per maand ofwel € 690,- per maand per kind bedraagt. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt deze behoefte € 1.736,- per maand ofwel € 868,- per maand per kind.
Draagkracht man
De rechtbank gaat voor de bepaling van de draagkracht van de man uit van de gemiddelde winst uit onderneming van de man over de jaren 2022 (€ 72.764,-), 2023 (€ 76.629,-) en 2024 (€ 101.025,-), zoals blijkt uit de door de man overgelegde financiële stukken. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de man dat de gemiddelde winst over de jaren
2021(€ 74.224,-), 2022 en 2023 in aanmerking genomen moet worden omdat 2024 geen representatief jaar was aangezien hij toen veel meer heeft moeten werken om financieel rond te kunnen komen. De rechtbank overweegt dat inherent aan een onderneming is dat de resultaten wisselend zijn. De rechtbank gaat daarom zoals gebruikelijk uit van de gemiddelde winst over de afgelopen drie jaren. Daarmee ontstaat een realistisch gemiddeld inkomen. De rechtbank berekent de gemiddelde winst uit onderneming op € 83.473,-.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de man in 2025 op € 4.704,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht in beginsel de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310,-)] gebruiken.
Tussen partijen is in geschil of bij de berekening van de draagkracht van de man rekening gehouden moet worden met schulden van de man en aflossingen daarop. Door de man zijn de volgende schulden opgevoerd:
De rechtbank is van oordeel dat de man in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw de door hem opgevoerde schulden onvoldoende heeft onderbouwd. Hij heeft niet aangetoond dat het ontstaan van de belastingschuld niet verwijtbaar is. Voor de lening aan zijn moeder heeft hij niet onderbouwd waarvoor deze is aangegaan. De rechtbank zal daarom bij de bepaling van de draagkracht van de man geen rekening houden met de deze schulden.
De vrouw voert aan dat de man zijn woonlasten kan delen met zijn echtgenote, omdat hij een gezamenlijke huishouding met haar voert. In deze omstandigheid ziet de rechtbank aanleiding om het woonbudget voor de man te halveren en de formule daarop aan te passen. De formule die de rechtbank gebruikt is dan 70% x [NBI – (0,15 x NBI + € 1.310,-]. De draagkracht van de man bedraagt dan:
70% x [€ 4.704,- – (€ 706,- + € 1.310,-)] = € 1.882,- per maand.
Draagkracht vrouw
Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 48.087,- bruto per jaar. De rechtbank baseert zich daarbij op de door de vrouw overgelegde jaaropgave 2024.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2025 op € 3.983,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [€ 3.983,- – (€ 1.195,- + € 1.310,-)] = € 1.035,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 2.917,- per maand
(€ 1.882,- + € 1.035,-). Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 1.882 / 2.917 x 1.736 = € 1.120,-
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 1.035 /2.917 x 1.736 = € 616,-
samen € 1.736,-
Van de totale behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] komt een gedeelte van € 1.120,- per maand, wat neerkomt op € 560,- per maand per kind voor rekening van de man. Een gedeelte van € 616,- per maand, wat neerkomt op € 308,- per maand per kind komt voor rekening van de vrouw.
Daarbij hanteert de rechtbank een zorgkorting van 35% van de behoefte nu de man onweersproken heeft gesteld dat er sprake is van een co-ouderschapsregeling. De zorgkorting bedraagt dan € 607,- per maand (35% van € 1.736,-). De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel van de man. Dat betekent dat de man gehouden is een bedrag van € 513,- per maand aan de vrouw te voldoen aan kinderalimentatie voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , ofwel € 257,- per maand per kind.
Gezin 2: man met zijn echtgenote en [minderjarige 3] , [minderjarige 4] , [minderjarige 5] en (stief)kind [minderjarige 6]
Behoefte [minderjarige 3] . [minderjarige 4] en [minderjarige 5]
Om het aandeel van de man in de behoefte van [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] te berekenen, zal de rechtbank eerst de totale behoefte van de kinderen berekenen. Dit doet de rechtbank aan de hand van de huidige inkomensgegevens van de man en zijn echtgenote, omdat de kinderen gewend zijn aan dit inkomen.
NBI man
Het NBI van de man is hetzelfde als in gezin 1 en bedraagt € 4.704,- per maand.
NBI echtgenote van de man
Voor de bepaling van de draagkracht van de echtgenote van de man gaat de rechtbank uit van ziektewetuitkering van € 31.283,-. De rechtbank baseert zich daarbij op de door de man overgelegde jaaropgaven 2024 van het UWV.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen en toeslagen berekent de rechtbank het NBI van de echtgenote van de man op € 1.914,-per maand.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van de man en zijn echtgenote bedraagt dus € 6.618,- per maand. Op basis van dit NBGI hebben zij recht op een kindgebonden budget van € 246,- per maand, zodat de rechtbank daar rekening mee zal houden. Het voorgaande leidt tot een behoefte van € 1.692,- per maand.
Behoefte [minderjarige 6]
De man stelt dat hij mede-onderhoudsplichtig is voor Luuk. Op de zitting heeft de man verklaard dat de vader van [minderjarige 6] € 50,- per maand betaalt aan zijn echtgenote ten behoeve van [minderjarige 6] . De man heeft niet met stukken onderbouwd wat de behoefte van [minderjarige 6] is en hoe de bijdrage van de vader van [minderjarige 6] is berekend. De rechtbank is van oordeel dat de man in het licht van de betwisting door de vrouw een en ander onvoldoende onderbouwd heeft. De rechtbank zal daarom [minderjarige 6] verder niet in de berekening betrekken.
Draagkracht man
De draagkracht van de man bedraagt hetzelfde als in gezin 1, te weten € 1.882,- per maand.
Draagkracht echtgenote van de man
Het NBI van de echtgenote van de man bedraagt zoals hiervoor bij de behoefte van de kinderen berekend, € 1.914,- per maand. Het gezin heeft daarnaast nog recht op een kindgebonden budget van € 246,- per maand. Dit bedrag zal bij het NBI van de echtgenote van de man worden opgeteld en niet bij het NBI van de man, zodat zeker wordt gemaakt dat het kindgebonden budget alleen terecht komt in gezin 2.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de echtgenote van de man op (€ 1.914,- + € 246,- =) € 2.160,- per maand.
Draagkracht echtgenote van de man
Omdat het NBI van de echtgenote van de man hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,15 NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [€ 2.160,- – (€ 324,- + € 1.310,-)] = € 368,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van de man en zijn echtgenote bedraagt gezamenlijk € 2.250,- per maand (€ 1.882,- + € 368,-). Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 1.882 / 2.250 x 1.692 = € 1.415,-
Het eigen aandeel van zijn echtgenote bedraagt: 368 / 2.250 x 1.692 = € 277,-
samen € 1.692,-
Van de totale behoefte van [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] komt een gedeelte van € 1.415,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 277,- per maand komt voor rekening van zijn echtgenote.
Vergelijking gezin 1 en gezin 2
Gelet op het voorgaande moet de man voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in totaal € 513,- per maand bijdragen en voor [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] in totaal € 1.415,- per maand. Samen is dit € 1.928,- per maand. De man heeft echter een draagkracht van € 1882,- per maand; dit is onvoldoende om in zijn onderhoudsverplichting van de kinderen uit beide gezinnen te voorzien. Er is een tekort van € 46,- per maand. Dit tekort aan draagkracht zal naar rato over de hiervoor berekende aandelen worden berekend.
De man kan maar € 1.882,- van het benodigde € 1.928,- betalen. Percentueel is dit afgerond 98% (1.882 / 1.928 x 100). Voor ieder kind is daarom slechts 98 % van het aandeel van de man beschikbaar.
Voor [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] bedraagt 98% van het benodigde aandeel (98% x € 1.415) € 1.387 per maand en voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] € 503,- per maand (98% van € 513), ofwel € 251,50 per maand per kind.
Conclusie
Op basis van de beschikking van 16 februari 2021 bedraagt de door de man voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te betalen kinderalimentatie € 245 per kind per maand. Uit voorgaande berekening volgt een bedrag van € 252 per kind per maand. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat er geen sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden die tot aanpassing van de kinderalimentatie moet leiden. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong-Kwestro, rechter, bijgestaan door
mr. I.E. Moerkerk-van Kersbergen als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van
16 september 2025.