ECLI:NL:RBDHA:2025:18964

ECLI:NL:RBDHA:2025:18964, Rechtbank Den Haag, 15-10-2025, NL25.48405

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 15-10-2025
Datum publicatie 15-10-2025
Zaaknummer NL25.48405
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Vreemdelingenbewaring, eerste beroep, buiten zitting, informatieplicht, belangenafweging, beroep ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.48405

(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),

en

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft op 10 oktober 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.

Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op 8 oktober 2025 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 13 oktober 2025 een reactie op de beroepsgronden ingediend. De rechtbank heeft op 13 oktober 2025 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [datum] 1992 en heeft de Belgische nationaliteit.

Juridisch kader

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

Informatieplicht

3. Eiser voert aan dat verweerder de informatieplicht uit artikel 8:42 van de Awb heeft geschonden. Eiser wijst op de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024 en het arrest van de Hoge Raad van 17 augustus 2018. Verweerder heeft namelijk niet tijdig de kennisgeving over de uitzetting van eiser op 10 oktober 2025 ingediend in het digitale dossier. Dit terwijl de gemachtigde van eiser de kennisgeving reeds op 7 oktober 2025 per e-mail had ontvangen van DT&V. Doordat verweerder de rechtbank niet tijdig en volledig heeft geïnformeerd, heeft de rechtbank de onjuiste procedurele beslissing genomen om de termijnen te verlengen voor het indienen van beroepsgronden door eiser en een reactie daarop door verweerder. Het resultaat van die verlenging is dat aan eiser het recht op een effectief rechtsmiddel wordt onthouden. Daarnaast is de informatieplicht ook geschonden omdat verweerder het besluit over de beëindiging van eisers verblijfsrecht niet heeft geüpload in het digitale dossier. Hierdoor kan niet worden gecontroleerd of het verblijfsrecht daadwerkelijk is beëindigd, waarom dit zo is en of aan de beëindiging een termijn is gesteld.

4. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Eiser heeft op 8 oktober 2025 de kennisgeving over de uitzetting, gedateerd 7 oktober 2025, overgelegd. Gebleken is dat de kennisgeving op 7 oktober 2025 per e-mail is toegezonden naar de gemachtigde van eiser. Gelet daarop wordt niet gevolgd dat de gemachtigde van eiser niet tijdig is ingelicht over de voorgenomen uitzetting van eiser. Verder heeft verweerder op 13 oktober 2025, voorafgaand aan de sluiting van het onderzoek, een M113-formulier overgelegd waaruit blijkt dat eiser op 10 oktober 2025 is uitgezet naar België en dat de bewaring per die datum is opgeheven. De rechtbank is dan ook voldoende geïnformeerd over de uitzetting van eiser. Daarnaast heeft verweerder op 13 oktober 2025 het besluit van 17 juni 2021 waarin is vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht geüpload in het digitale dossier. Voorts blijkt dat dit besluit op 11 januari 2022 in persoon aan eiser is uitgereikt. De rechtbank stelt met eiser vast dat verweerder deze stukken niet heeft geüpload binnen de gegeven termijn voor het indienen van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee echter geen sprake van een ontoelaatbare schending van de goede procesorde. De rechtbank acht hierbij van belang dat de bewaringsprocedure zich kenmerkt door zeer korte termijnen en dat reeds uit zowel het proces-verbaal van gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling als de maatregel van bewaring de redenen voor beëindiging van eisers verblijfsrecht volgen. Ook staat in de maatregel van bewaring waarom verweerder zich op het standpunt stelt dat eiser zijn verblijf in Nederland niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd, namelijk doordat eiser steeds onder dezelfde omstandigheden wordt aangetroffen – hij leidt een zwervend bestaan – en niet kan aantonen dat hij buiten Nederland een bestaan heeft opgebouwd en genoegzaam is gebleken dat eiser met dit alles bekend was. Eiser is dan ook niet in zijn belang geschaad.

5. Eiser wordt verder niet gevolgd in zijn stelling dat hem het recht op een effectief rechtsmiddel is onthouden, nu de rechtbank geen uitspraak heeft kunnen doen over de maatregel van bewaring voorafgaand aan de uitzetting van eiser op 10 oktober 2025. Dat eiser reeds is uitgezet, laat immers onverlet dat de rechtbank de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring beoordeelt.

Maatregel van bewaring

6. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

7. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden en de lichte gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat het risico op onttrekking reeds daarmee is gegeven.

Belangenafweging

8. Eiser voert aan dat een belangenafweging in het voordeel van eiser dient uit te vallen, gelet op de bewuste schendingen van de informatieplicht.

9. Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de maatregel van bewaring voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kon worden toegepast om het risico op onttrekking te ondervangen. Eiser heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die leiden tot de conclusie dat met een lichter middel had moeten worden volstaan. Ook is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onredelijk bezwarend maakten.

Ambtshalve toets

10. Ook overigens ziet de rechtbank ambtshalve geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de te beoordelen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.

Conclusie

11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 15 oktober 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.L. Weerkamp

Griffier

  • mr. W. van Loon

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand