4. ECLI:NL:RVS:2019:3672.
5 ECLI:NL:RBDHA:2025:76.
6 ECLI:NL:RBDHA:2024:20680.
11. De rechtbank oordeelt dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat hij de aanvraag niet onverplicht aan zich had hoeven trekken en dat er geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Kroatië onevenredig hard is. In de vorige Dublinprocedure van eiseres is haar beroep op artikel 17, eerste lid, van de Dvo niet geslaagd en staat dan ook in rechte vast.7 Het enkele feit dat eiseres sindsdien een kind heeft gekregen, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Daarbij mag de minister op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uitgaan dat Kroatië over dezelfde medische voorzieningen beschikt als Nederland. Zij kunnen eiseres en haar baby dus voorzien van de benodigde psychische of medische zorg. Eiseres heeft niet onderbouwd dat Nederland het meest geschikte land is voor behandelingen of dat Kroatië geen behandeling aan hen zal verstrekken. Met betrekking tot de behandelingen in Kroatië (geen voedsel, opgesloten worden en op straat gezet worden) dient eiseres zich te wenden tot de (hogere) autoriteiten in Kroatië. Niet gebleken is dat klagen niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is voor eiseres. Daarbij is eiseres niet eerder als Dublinclaimant aan Kroatië teruggekeerd en dus kan zij niet uit persoonlijke ervaringen over deze procedure spreken. De minister heeft, naar het oordeel van de rechtbank, de medische omstandigheden en de persoonlijke ervaringen van eiseres voldoende meegewogen en voldoende gemotiveerd waarom hij geen aanleiding zag om de asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo. De beroepsgrond slaagt niet.
________
7 ECLI:NL:RBDHA:2024:3221.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van
S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
12 februari 2025
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.