[naam], eiser,
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. N. den Ouden),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Inleiding
1. De minister heeft op 4 november 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij ook verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 7 februari 2025 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam. De gemachtigde van eiser is verschenen op de rechtbank in Groningen. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en zijn geboren [geboortedatum]
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 18 december 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 13 december 2024 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vreemdelingenwet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Standpunten van eiser
5. Eiser betoogt dat de voortduring van de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Hiertoe voert eiser aan dat er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije. Eisers identiteit is namelijk na zeven weken, nadat hij is gepresenteerd bij de Algerijnse autoriteiten, nog steeds niet bevestigd. Dit terwijl tijdens het eerste beroep de gemachtigde van de minister had aangegeven dat het lp-traject snel zou verlopen, aangezien de identiteit van eiser in 2017 al zou zijn vastgesteld en een kopie van zijn paspoort beschikbaar zou zijn. Bovendien heeft de consul tijdens de presentatie aan eiser medegedeeld dat er geen lp aan hem verstrekt zal worden, aangezien eiser inmiddels een gezinsleven heeft.
Daarnaast voert eiser aan dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Gelet op het feit dat er nog steeds onduidelijkheid bestaat over de vraag of de identiteit van eiser al dan niet bevestigd zal worden door de Algerijnse autoriteiten, had het op de weg van de minister gelegen om navraag te doen naar de status van de aanvraag en op dossierniveau te rappelleren.
Verder voert eiser aan dat, gelet op zijn leeftijd en het feit dat hij minderjarige kinderen heeft, met een lichter middel kan worden volstaan. Eiser zou in afwachting van zijn vertrek in de LVV kunnen verblijven.
Oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Algerije bestaat. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling van 6 mei 2024 en 15 juli 2024, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Het feit dat het onderzoek naar de identiteit van eiser kennelijk langer duurt dan verwacht, rechtvaardigt niet de conclusie dat er geen zicht meer is op uitzetting binnen een redelijke termijn. Ook is eiser inmiddels gepresenteerd bij de Algerijnse autoriteiten, wat erop wijst dat deze autoriteiten meewerken aan de vaststelling van zijn identiteit. Bovendien hebben de Algerijnse autoriteiten niet aangegeven dat aan eiser geen lp zal worden verstrekt, maar hebben zij enkel aangegeven dat de aanvraag nog in onderzoek is. De stelling van eiser dat de consul tegen hem zou hebben gezegd dat geen lp aan hem verstrekt zal worden, heeft eiser niet nader onderbouwd. Dit blijkt ook niet uit wat de gemachtigde van de minister op de zitting heeft voorgelezen uit het presentatieverslag.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Uit de voortgangsrapportage en wat op de zitting is besproken, blijkt dat er sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure op 24 december 2024 en op 16 januari 2025 is gerappelleerd op de lp-aanvraag. Daarnaast heeft de minister op 23 december 2024 en op 21 januari 2025 een vertrekgesprek gevoerd en is eiser op 19 december 2024 gepresenteerd bij de Algerijnse autoriteiten. Deze gang van zaken vindt de rechtbank voldoende voortvarend. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de minister op de zitting heeft toegelicht dat de lp-procedure in dit geval nog niet dusdanig lang loopt dat aanleiding wordt gezien om op dossierniveau te rappelleren.
De rechtbank overweegt tot slot dat zij in haar eerdere uitspraak van 15 november 2024 al heeft geoordeeld dat het toepassen van een lichter middel niet volstaat om de uitzetting van eiser te verzekeren. Bovendien heeft eiser al eerder verbleven in de LVV, wat niet heeft geleid tot vrijwillig vertrek. De rechtbank merkt hierbij op dat de LVV sinds het einde van 2021 ook niet langer bestaat. De rechtbank ziet in de door eiser aangevoerde omstandigheden geen aanleiding om aan te nemen dat een lichter middel nu wel zou kunnen volstaan. De stelling van eiser over het contact met zijn minderjarige zoon heeft hij niet nader onderbouwd.
Voor zover eiser zijn betoog ook ziet op de belangenafweging, oordeelt de rechtbank dat de minister, gelet op de duur van de bewaring, nog niet is gehouden een verzwaarde belangenafweging te maken. De rechtbank is ook geen feiten en omstandigheden gebleken die voor de minister aanleiding hadden moeten zijn de bewaring bij een afweging van de belangen op te heffen.
De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.