ECLI:NL:RBDHA:2025:21774

ECLI:NL:RBDHA:2025:21774, Rechtbank Den Haag, 24-10-2025, NL24.21020

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 24-10-2025
Datum publicatie 28-11-2025
Zaaknummer NL24.21020
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0011823

Samenvatting

Artikel 8 van het EVRM. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het gezinsleven tussen eiseres en haar kind niet aannemelijk is gemaakt. De vader is belast met zorg- en opvoedtaken en er is maar een beperkte vorm van omgang met eiseres afgesproken. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , van Peruaanse nationaliteit, eiseres

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL24.21020

[V-Nummer]

(gemachtigde: mr. F.M. Holwerda),

en

(gemachtigde: mr. S. Aboulouafa).

Procesverloop

Met het besluit van 18 februari 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder de verblijfvergunning van eiseres voor het doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid’ per17 december 2021 ingetrokken.

Met het besluit van 1 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit deels gegrond verklaard en aan eiseres een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM verleend met ingang van27 november 2023 tot 27 juni 2024.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van verweerder en N.E. Ramirez Ruiz als tolk in de Spaanse taal.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of verweerder de verblijfvergunning van eiseres terecht heeft ingetrokken per 17 december 2021.

Standpunt eiseres

3. Eiseres voert aan dat de intrekking van haar vergunning in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Volgens haar is er sinds de geboorte van [zoon] op [geboortedatum] 2021 sprake van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Dit betekent dat er ten tijde van de intrekking al sprake was van inmenging in het gezinsleven van eiseres en haar kind. Het rapport van Parlan Jeugdhulp, overgelegd op 18 januari 2022, bevestigt dit standpunt omdat het de omgangsregeling onderschrijft waarbij het kind drie om vier dagen bij eiseres en zijn vader verblijft. Hiermee is aangetoond dat er sprake is van intensief gezinsleven tussen eiseres en haar kind. Ook de verklaring van de jeugdconsulent bevestigt dat eiseres in 2022 de omgangsregeling nakomt. Verweerder overweegt dat de omgangsregeling in omvang is afgenomen, maar miskent hiermee dat ter beoordeling de vraag voorligt of de intrekking van het verblijfsrecht in de periode van 17 december 2021 tot en met 27 november 2023 een ongerechtvaardigde inmenging is op het gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

Artikel 8 van het EVRM

De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 8, eerste lid, van het EVRM is bepaald, dat een ieder recht heeft op respect voor zijn familie- en gezinsleven en privéleven. Op grond van het tweede lid van dat artikel is – kort gezegd – geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de intrekking van de verblijfsvergunning van eiseres niet leidt tot schending van het recht op gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Van belang is daartoe dat de belangenafweging in haar nadeel

uitvalt en eiseres ingevolge artikel 26 van de Vw pas met het overleggen van de beschikking tot onder toezichtstelling op 27 november 2023 heeft voldaan aan de voorwaarden van de gevraagde vergunning.

Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat het contact tussen eiseres en [zoon] ten tijde van de intrekking onvoldoende intensief was om te kunnen spreken van gezinsleven in de periode van 17 december 2021 tot en met 27 november 2023. Dit volgt onder meer uit de beschikking van de rechtbank waarin de Raad voor de Kinderbescherming stelde dat er sprake is van een ernstig bedreigde ontwikkeling van het kind als [zoon] zonder begeleide omgang door eiseres werd verzorgd.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het gezinsleven tussen eiseres en haar kind niet aannemelijk is gemaakt. Eiseres verklaart dat ze haar kind regelmatig zag in de betreffende periode. Maar anders dan eiseres aanvoert, maakt de omstandigheid dat jeugdbescherming (in het algemeen) van mening is dat de aanwezigheid van een ouder in het belang van het kind is, niet dat er sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Uit het rapport van Parlan volgt dat eiseres afwisselend drie of vier dagen zorg draagt voor [zoon] . Uit de stukken blijkt dat de intensiviteit van de omgangsregeling afneemt. Dit betekent dat de vader is belast met de zorg- en opvoedtaken. Er is maar een zeer beperkte vorm van omgang met eiseres afgesproken. Bovendien is de invulling van de omgangsregeling door eiseres niet aangetoond. De rechtbank laat ook meewegen dat uit de stukken blijkt dat er zorgen waren over de interactie tussen moeder en kind.

Proceskostenvergoeding

5. Omdat verweerder op 17 september 2025 een aanvullend besluit heeft genomen, verzet verweerder zich niet tegen de proceskostenveroordeling en een veroordeling van de legeskosten die eiseres heeft gemaakt voor het indienen van de verlengingsaanvragen. De rechtbank bepaalt de hoogte van de proceskosten op € 1.814,- voor het opstellen van het beroepschrift en het verschijnen ter zitting. De legeskosten bedragen € 228,-. Verweerder moet ook het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.

Conclusie

6. Het beroep is ongegrond.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder in een vergoeding van de proceskosten van eiseres ter hoogte van€ 1.814,-;

- veroordeelt verweerder in een vergoeding van de legeskosten van eiseres ter hoogte van€ 228,-;

- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 187,- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid van

mr. W.L. van der Pijl, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R. Hirzalla

Griffier

  • mr. W.L. van der Pijl

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?