ECLI:NL:RBDHA:2025:21935

ECLI:NL:RBDHA:2025:21935, Rechtbank Den Haag, 26-11-2025, C/09/674625

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 26-11-2025
Datum publicatie 03-12-2025
Zaaknummer C/09/674625
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827

Samenvatting

Burengeschil over op perceel geplaatste objecten. Uitleg van een kettingbeding met de afspraak om het perceel als duin-/natuurgrond te behouden. Ook is er een geschil over een in het kettingbeding opgenomen financiele sanctie bij niet-nakoming van de verplichtingen uit het kettingbeding. De objecten moeten worden verwijderd en er is een boete verschuldigd wegens schending van het kettingbeding omdat partijen een boetebeding zijn overeengekomen.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team Handel

Zaak-/rolnummer: C/09/674625 / HA ZA 24-918

Vonnis van 26 november 2025

in de zaak van

[partij A] te [woonplaats] ,

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

hierna te noemen: ‘ [partij A] ’,

advocaat: mr. L.J.W. Mingelen,

tegen

STICHTING [partij B] te [vestigingsplaats] ,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

hierna te noemen: ‘ [partij B] ’,

advocaat: mr. J.J. Linker.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 18 oktober 2024, met producties 1 tot en met 11;

de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie, met producties 1 tot en met 6;

het tussenvonnis van 15 januari 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald op 20 maart 2025;

de conclusie van antwoord in reconventie, zonder producties;

de akte wijziging van eis tevens houdende overlegging nadere producties, met producties 12 en 13;

de tijdens de mondelinge behandeling op 20 maart 2025 voorgedragen en ingediende spreekaantekeningen;

het rolbericht van 4 juni 2025 waarin partijen hebben verzocht een tweede mondelinge behandeling te houden;

het tussenvonnis van 4 juni 2025, waarin een tweede mondelinge behandeling is bepaald op 1 september 2025.

Er hebben twee mondelinge behandelingen plaatsgevonden. Daarbij zijn verschenen [partij A] , bijgestaan door mr. Mingelen en namens [partij B] haar bestuurder de heer [naam] , bijgestaan door mr. Linker. Partijen hebben bij de eerste mondelinge behandeling verzocht de zaak aan te houden, omdat zij via mediation wilden proberen het geschil te beslechten. Dit is niet gelukt. Bij de tweede mondelinge behandeling hebben partijen verteld wat hen verdeeld houdt. Bij beide zittingen hebben partijen vragen van de rechtbank beantwoord en op elkaar kunnen reageren en heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2. De feiten

Partijen zijn achterburen. [partij A] is eigenaar van een perceel ( [perceel 1] ) met daarop een woning gelegen aan de [adres 1] in [plaats] . [partij B] is eigenaar van drie percelen ( [perceel 2] , [perceel 3] en [perceel 4] ) met op [perceel 2] en [perceel 3] een woning gelegen aan de [adres 2] in [plaats] , waar haar bestuurder, de heer [naam] (hierna: [naam] ), woont.

In 2018 heeft [partij B] een perceel grond kadastraal bekend [kadastraal kenmerk] (‘ [perceel 5] ’) gekocht van [partij A] , die [perceel 5] samen met haar broer en zussen als medeverkopers aan [partij B] heeft verkocht en geleverd tegen een koopsom van € 346.150. Onderstaand kaartje toont de ligging van genoemde percelen, met in het midden het verkochte [perceel 5] .

* [perceel 6] = [straatnaam 1] . [perceel 7] = [straatnaam 2] .

Op 3 september 2018 is een Koopovereenkomst tot stand gekomen tussen [partij A] (althans verkopers) en [partij B] voor de (ver)koop van [perceel 5] . In de leveringsakte van 17 september 2018 is een kettingbeding opgenomen over de wijze waarop [partij B] [perceel 5] mag gebruiken.

Momenteel bevinden zich op [perceel 5] een plantenkas, een tuinschuurtje, een schommel en tuinmeubels. Tussen partijen is een geschil ontstaan over de manier waarop [partij B] het aan haar verkochte [perceel 5] gebruikt en/of zou mogen gebruiken.

Met verlof van de voorzieningenrechter te Den Haag heeft [partij A] ten laste van [partij B] conservatoir (derden)beslag laten leggen op twee percelen ( [perceel 4] en [perceel 5] ) en onder drie banken.

3. Het geschil

in conventie

[partij A] vordert na eiswijziging, samengevat, dat de rechtbank bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

[partij B] gebiedt binnen veertien dagen na de dag van betekening van dit vonnis de plantenkas en alle andere in strijd met het kettingbeding door haar geplaatste objecten op [perceel 5] te (doen) verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom van € 1.000, met een maximum van € 1.000.000;

[partij B] veroordeelt tot betaling van de verbeurde boetes en de daarover verschuldigde wettelijke rente (artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek, ‘BW’) vanaf 6 september 2023 tot aan de dag dat de tekortkoming is beëindigd of tot aan twee weken na de dag van betekening van dit vonnis;

[partij B] veroordeelt tot betaling van de beslagkosten van € 1.620,59;

verklaart voor recht dat het kettingbeding zo begrepen moet worden dat daarop, uitgezonderd het realiseren van een trap aan de achterzijde van het pand aan de [adres 2] in [plaats] en de aanleg van een verhard voetpad vanaf de [straatnaam 2] op [perceel 5] , geen bouwwerken in de meest ruime zin van het woord of andere objecten die daar niet van nature voorkomen mogen worden geplaatst, waaronder in elk geval een tuinschuurtje, schommel of tuinmeubel;

met veroordeling van [partij B] in de proceskosten, te vermeerderen met rente.

[partij A] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [partij B] schiet tekort in de nakoming van haar verplichtingen uit het kettingbeding. Het is niet toegestaan bouwwerken of andere objecten die er niet van nature voorkomen op [perceel 5] te plaatsen, tenzij uitdrukkelijk vastgelegd. [partij B] moet haar verplichtingen nakomen (artikel 3:296 BW) en is een boete verschuldigd van duizend euro per dag gelet op het bepaalde daarover in het kettingbeding.

[partij B] voert verweer. Zij concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [partij A] in de proceskosten.

in reconventie

[partij B] vordert dat de rechtbank, samengevat, bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

voor recht verklaart dat de bepaling waaruit volgt dat bij schending van verplichtingen uit het kettingbeding “een zonder rechterlijke tussenkomst direct opeisbare dwangsom van een duizend euro per dag” dat “bij niet nakoming van deze bepalingen” verschuldigd is, nietig is, althans deze bepaling vernietigt, althans oordeelt dat daarop geen beroep kan worden gedaan;

voor recht verklaart dat [partij B] op [perceel 5] een plantenkas en andere objecten (tuinschuurtje, schommel en/of tuinmeubels) mag hebben en houden en daarmee niet handelt in strijd met het kettingbeding;

alle door [partij A] ten laste van [partij B] gelegde beslagen opheft;

[partij A] veroordeelt om binnen twee weken na vonnisdatum de inschrijving van de beslagen in de openbare registers te doen doorhalen onder oplegging van een dwangsom van € 1.000 per dag(deel), met een maximum van € 100.000,00;

met veroordeling van [partij A] in de proceskosten, te vermeerderen met rente.

[partij B] legt het volgende aan de vordering ten grondslag. De dwangsombepaling in het kettingbeding ziet enkel op het kappen van bomen, maar [partij A] kan zich daar hoe dan ook niet op beroepen. [partij B] handelt ook niet in strijd met het kettingbeding door een plantenkas op [perceel 5] te zetten. Een plantenkas, tuinschuurtje, schommel en/of tuinmeubel vallen ook niet onder de beperkingen van het kettingbeding. De beslagen moeten worden opgeheven en doorgehaald, vanwege het ontbreken van belang.

[partij A] voert verweer en concludeert tot afwijzing.

in conventie en in reconventie

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

Ontvankelijkheid

De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van [partij B] dat [partij A] niet-ontvankelijk is in haar vorderingen omdat sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding (2.2) zodat zij niet zonder de andere verkopers een vordering kan instellen. [partij B] heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat de medeverkopers van [perceel 5] afstand hebben gedaan van de bevoegdheid hun rechten uit het kettingbeding te effectueren en dat [partij A] krachtens een algehele volmacht bevoegd is onderhavige procedure in te stellen.

in conventie en in reconventie

In verband met hun nauwe samenhang zullen de vorderingen in conventie en in reconventie gezamenlijk worden behandeld.

Inhoudelijke beoordeling

Het geschil tussen partijen draait om de uitleg van het kettingbeding in de leveringsakte van 17 september 2018. Hierin staat – voor zover van belang – het volgende:

AKTE VAN LEVERING

met vestiging kettingbeding

(…).

LEVERING, REGISTERGOED, GEBRUIK

(…)

Het verkochte [ [perceel 5] ; rechtbank] zal door koper worden gebruikt als duin/natuurgrond, welk gebruik tevens zal dienen te gelden voor zijn rechtsopvolgers onder algemene en bijzondere titel in verband waarmee koper en verkoper na te melden kettingbeding zijn overeen gekomen.

(…).

VESTIGING KETTINGBEDING

Ten aanzien van het gebruik van het verkochte zijn verkoper en koper overeengekomen dat koper het verkochte:

in stand dient te houden als duin- en/of natuurgrond met dien verstande dat zich aldaar uitsluitend beplanting zal mogen bevinden die daar van nature voorkomt casu quo voor kan komen, en koper de huidige toestand in stand dient te houden (te dulden) en zich ervan dient te onthouden om andere dan natuurlijke beplanting in stand te houden of aan te brengen;

niet zal bestraten en/of verharden anders dan met een voetpad dat zal dienen ter verbinding van de achterzijde van het woonhuis aan de [straatnaam 1] (…) te [plaats] met de [straatnaam 2] te [plaats] , en betreffend voetpad niet anders zal gebruiken dan voor toegang te voet van en naar de achterzijde van de door hem bewoonde woning aan de [straatnaam 1] (…) te [plaats] ;

toegang met (motor)voertuigen van welke aard ook over of via het verkochte is derhalve uitdrukkelijk niet toegestaan;

behoudens het realiseren van een passende trap ter ontsluiting van het gekochte vanaf de achterzijde van de woning aan de [straatnaam 1] (…) te [plaats] , niet zal (doen) bebouwen op wat voor wijze dan ook bouwwerken in of onder de grond daaronder begrepen waarbij onder bouwwerken mede is te verstaan het aanbrengen van een zwembad of het aanbrengen van een tennisbaan of andere bewerking waardoor de huidige natuurlijke staat van het verkochte, ho[e] minimaal ook, wordt aangetast/gewijzigd;

(…);

Volgens [partij A] volgt hieruit dat het niet is toegestaan een (glazen) plantenkas (en de overige objecten die daarna op [perceel 5] zijn neergezet en de objecten die [partij B] ter zitting nog heeft genoemd) op [perceel 5] te plaatsen, omdat dit zich niet verdraagt met de verplichting [perceel 5] in stand te houden en te gebruiken als duin-/natuurgrond. [partij A] heeft met het kettingbeding beoogd het natuurlijke karakter van de wijk in stand te houden. Juist omdat [perceel 5] geen officieel natuurgebied is, heeft zij in het kettingbeding de gebruiksmogelijkheden beperkt. Partijen hebben duidelijke afspraken gemaakt en [perceel 5] moet blijven zoals het was. Er mag niets op [perceel 5] staan, aldus [partij A] .

[partij B] betwist deze uitleg. [partij B] voert aan dat [perceel 5] geen natuurgebied is, althans dat zij een achtertuin heeft gekocht en dat zij [perceel 5] mag gebruiken zoals zij dat nu doet en nader wenst te gebruiken. Als partijen werkelijk hebben bedoeld dat er helemaal niets op [perceel 5] mag worden geplaatst, dan had het voor de hand gelegen dit vast te leggen, aldus [partij B] .

Uitleg van het kettingbeding

Om de betekenis van de verplichtingen voor het gebruik van [perceel 5] vast te stellen moet het in de leveringsakte tussen partijen overeengekomen kettingbeding worden uitgelegd. Naast de taalkundige uitleg komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en op dat wat zij daarbij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.

Het kettingbeding is het resultaat van onderhandelingen tussen [partij A] als verkopende particulier en [partij B] als kopende professionele partij.

De rechtbank is van oordeel dat het kettingbeding zo is opgesteld dat na het eerste gedachtestreepje het doel en de strekking daarvan zijn opgenomen, namelijk dat [perceel 5] in stand moet worden gelaten als duin-/natuurgrond. De overige gedachtestreepjes regelen gelimiteerde uitzonderingen daarop. Met het kettingbeding verhoudt zich niet dat op [perceel 5] objecten worden geplaatst die niet van nature op duin-/natuurgrond voorkomen (met uitzondering van het concreet omschreven voetpad en de concreet omschreven trap). Daartoe is het volgende redengevend.

Uit niets blijkt dat [partij B] een achtertuin heeft gekocht, zoals zij zelf stelt. Uit de omschrijving van het geleverde in de leveringsakte blijkt duidelijk dat [perceel 5] is gekocht om te worden gebruikt als “duin/natuurgrond”. In de ruim geformuleerde tekst van het kettingbeding wordt er nogmaals op gewezen dat [partij B] [perceel 5] in stand dient te houden als “duin- en/of natuurgrond” en dat zich daarop “uitsluitend beplanting zal mogen bevinden die daar van nature voorkomt casu quo voor kan komen” en dat [partij B] “de huidige toestand in stand dient te houden (te dulden) en zich ervan dient te onthouden om andere dan natuurlijke beplanting in stand te houden of aan te brengen”. Het beding is dus – anders dan [partij B] stelt – niet beperkt tot de grond, maar bepaalt ook wat zich op die grond mag bevinden. [perceel 5] mag niet worden bestraat, behoudens het toegestane voetpad en ook niet worden bebouwd, behoudens het realiseren van een passende trap ter ontsluiting van het gekochte vanaf de achterzijde van de woning. Daarmee hebben partijen voldoende duidelijk vastgelegd dat er helemaal niets op [perceel 5] mag worden geplaatst.

[partij A] heeft toegelicht dat zich ten tijde van de verkoop en levering van [perceel 5] geen objecten (zaken als bedoeld in artikel 3:2 BW) op [perceel 5] bevonden en dat [perceel 5] ook niet was bebouwd, wat [partij B] niet heeft bestreden. Niet in geschil is dat de objecten die zich op dit moment op [perceel 5] bevinden zijn aangebracht na de verkoop van [perceel 5] .

De rechtbank constateert dat [partij B] de eerste vijf jaar na levering van [perceel 5] in stand heeft gelaten als duin-/natuurgebied en geen objecten op [perceel 5] heeft geplaatst, met uitzondering van hetgeen op basis van het kettingbeding was toegestaan. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat [partij B] de strekking van het kettingbeding destijds ook heeft begrepen conform de door de rechtbank gegeven uitleg van het kettingbeding.

Gezien het voorgaande is het betoog van [partij B] dat het niet duidelijk is wat onder “bebouwen” en “bouwwerken” onder het derde gedachtestreepje van het kettingbeding moet worden verstaan niet relevant. Duin-/natuurgrond kan enkel in de ten tijde van de overdracht bestaande stand met uitsluitend van nature voorkomende beplating worden gelaten wanneer op [perceel 5] geen objecten worden geplaatst. Daarbij kan in het midden blijven of die objecten kunnen worden gekwalificeerd als bouwwerken. [partij B] hecht teveel waarde aan de uitleg van voornoemde termen onder het derde gedachtestreepje van het kettingbeding. De aldaar genoemde tekst bevat een duidelijke (eenmalige) uitzondering voor een bouwwerk, te weten een trap, met een duidelijke vermelding dat overige bouwwerken niet zijn toegestaan. De kern van de verplichting van [partij B] staat echter onder het eerste gedachtestreepje van het kettingbeding. Een redelijke uitleg van die tekst verzet zich ertegen om vervolgens op basis de tekst van het derde gedachtestreepje te concluderen dat de aanwezigheid van objecten die volgens [partij B] niet onder de aldaar gegeven definitie “bouwwerken” of “bebouwen” kunnen worden geschaard, toelaatbaar zijn. Dat staat haaks op het uitgangspunt: instandhouding als duin-/natuurgrond, terwijl in de genoemde tekst staat dat de natuurlijke staat van [perceel 5] “hoe minimaal ook”, niet mag worden gewijzigd of aangetast.

Ook de door [partij B] aangedragen omstandigheid dat volgens het bestemmingsplan [perceel 5] een ruimere bestemming heeft en als tuin mag worden gebruikt, is niet relevant en doet niet af aan de andersluidende afspraken die partijen hebben gemaakt. Daar is [partij B] zich ten tijde van de aankoop ook van bewust geweest, getuige de e-mail van haar bestuurder [naam] van 3 juli 2018:

We betalen nu € (…) voor een stuk grond waarop we beduidend minder mogen dan volgens het bestemmingsplan. Dat is geen probleem, want dat is immers jullie voorwaarde voor verkoop.

Bij deze stand van zaken kan tot geen andere conclusie worden gekomen dan dat [partij B] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen voortvloeiende uit het kettingbeding. [partij B] moet op grond van het kettingbeding de plantenkas en alle overige objecten die zij op [perceel 5] heeft geplaatst en die niet van nature voorkomen dan wel thuishoren op duin-/natuurgrond, verwijderen. Het gaat dan om alle objecten die normaalgesproken in een tuin staan (in de spreeknotities noemt [partij B] een schommel, een speelhuisje, een glijbaan en tuinmeubels en ter zitting zijn ook nog genoemd: plantenbakken). Dat, zoals [partij B] stelt, [partij A] in de correspondentie voorafgaand aan de overdracht van [perceel 5] heeft benadrukt dat zij niet van elke schending van het kettingbeding een punt zal maken, doet aan het voorgaande niet af en [partij B] kan daaraan in ieder geval niet het recht ontlenen dat zij de door haar geplaatste objecten mag laten staan. Overigens heeft [partij A] zich niet verzet tegen het tijdelijk plaatsen van een paar (tuin)stoelen gedurende het gebruik daarvan.

[partij B] heeft nog als verweer gevoerd dat [partij A] geen of onvoldoende belang heeft bij haar vordering. Daartoe voert [partij B] aan dat volgens haar het belang van [partij A] erin is gelegen dat de plantenkas vanaf het perceel van [partij A] zichtbaar is. Volgens [partij B] kan dat zicht door middel van het plaatsen van een boom (op [perceel 5] ) aan het zicht kan worden onttrokken. Uit (de tekst van) het kettingbeding blijkt duidelijk dat deze oplossing niet in lijn is met de wensen van [partij A] en zij een belang heeft bij haar vordering. Dit verweer van [partij B] kan dan ook niet slagen.

Ook het beroep op artikel 6:248 lid 2 BW kan [partij B] niet baten. De in verband daarmee aangedragen omstandigheden, te weten dat op een aangrenzend perceel een villa met buitenzwembad is aangelegd en zich op het perceel van [partij A] een schuur bevindt, brengt niet mee dat een beroep van [partij A] op het kettingbeding met de door de rechtbank gegeven uitleg naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank de vorderingen in conventie onder 3.1.a) en 3.1.d) toewijst en de vordering in reconventie onder 3.4. b) afwijst.

voorts in conventie

Dwangsom of boete

[partij A] vordert betaling door [partij B] van een boete van duizend euro per dag wegens schending van het kettingbeding. [partij B] betwist een boete verschuldigd te zijn en voert aan dat [partij A] zich niet kan beroepen op de betreffende bepaling in het kettingbeding, omdat die betekenis mist en niet voldoet aan artikel 6:91 BW en (ver)nietig(baar) is wegens strijd met artikel 611a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (‘Rv’). Dit betoog slaagt niet.

Uit (de toelichting bij) artikel 6:91 BW volgt dat een clausule als boetebeding moet worden beschouwd, indien deze ertoe strekt dat de schuldenaar die tekortschiet in de nakoming van zijn verbintenis, een prestatie zal verrichten. De benaming van de clausule is niet bepalend, het gaat om de aard van de afspraken van partijen.

De in het kettingbeding in de leveringsakte opgenomen relevante tekst luidt als volgt:

Voormelde verplichtingen worden hierbij door verkoper bedongen en door koper uitdrukkelijk aanvaardt op straffe van een zonder rechtelijke tussenkomst direct opeisbare dwangsom van een duizend euro (€ 1.000,00), per dag bij niet nakoming van deze bepalingen, onverminderd de verplichting om handelingen in strijd met het vorenstaande te staken en de verplichting om het verkochte in de oorspronkelijke staat terug te brengen.

Tussen partijen is uitdrukkelijk afgesproken dat voormelde boete indien deze vervalt toekomt aan de eigenaren van het perceel aan de [straatnaam 2] (…), dan wel aan hun rechtsopvolgers onder bijzondere of algemenen titel.

Hoewel in de leveringsakte ook het woord ‘dwangsom’ is gebruikt, gaat het hier naar om een boetebeding in de zin van artikel 6:91 BW. Uit de overgelegde correspondentie volgt dat partijen de bedoeling hadden een sanctie te stellen op niet-naleving van (de verplichtingen uit) het kettingbeding. In eerste instantie had [partij A] voorgesteld om zowel een dwangsom met een geldbedrag per dag als een hoge boete op te nemen. Daarop heeft [partij B] bezwaar gemaakt tegen het voorgestelde boetebedrag van 1 miljoen euro naast een bedrag van 1.000 euro per dag. De eenmalige boete van 1 miljoen euro is vervolgens geschrapt. Uit het onderling overleg tussen partijen blijkt dat partijen de bedoeling hebben gehad dat [partij B] gehouden is duizend euro per dag te voldoen indien zij bewust tekortschiet in de nakoming van de verplichtingen van het kettingbeding. Dat blijkt duidelijk uit de e-mail van 3 juli 2018 van [naam] namens [partij B] , die voor zover relevant luidt:

Het is volgens mij de bedoeling dat we ons gewoon aan het kettingbeding houden, en niet om geld te verdienen als er per ongeluk tijdelijk iets gebeurt dat niet conform de afspraken is.

Uit deze zinsnede volgt ook dat het betoog van [partij B] dat de boete uitsluitend zag op overtreding van de verplichting onder het eerste gedachtestreepje van het kettingbeding (het in stand houden als duin-/natuurgrond) niet juist is. Dat [partij A] in de correspondentie kenbaar heeft gemaakt bang te zijn dat een (toekomstig) eigenaar van [perceel 5] de beplanting onherstelbaar zou veranderen door bijvoorbeeld bomen te kappen, betekent niet dat het boetebeding daartoe beperkt is. Dat had dan met zoveel woorden in het kettingbeding moeten zijn opgenomen, hetgeen niet is gedaan.

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat partijen een boetebeding zijn overeengekomen, uit hoofde waarvan [partij B] een boete van 1.000 euro per dag verschuldigd is. Er is geen sprake van een dwangsom als bedoeld in artikel 611a Rv. Het verweer van [partij B] dat niet overeenkomstig dat artikel dwangsommen zijn verbeurd kan haar dan ook niet baten. Er is een geldig boetebeding tot stand gekomen en van nietigheid of vernietigbaarheid is geen sprake. Dat betekent dat de onder 3.4 a) gevorderde verklaring voor recht zal worden afgewezen.

[partij B] verweert zich voorts met de stelling dat zij de boete niet hoeft te betalen, omdat zij niet (op juiste wijze) in gebreke is gesteld. Ook dit betoog gaat niet op. De boete is, zoals blijkt uit de tekst van het kettingbeding, direct opeisbaar en daarmee verschuldigd zonder dat een ingebrekestelling nodig is. Als onweersproken staat vast dat [partij B] de plantenkas op 6 september 2023 zonder overleg met of toestemming van [partij A] heeft geplaatst in strijd met het kettingbeding, zodat vanaf dat moment de boete van duizend euro per dag verschuldigd is. Naar het oordeel van de rechtbank kan de plaatsing van de plantenkas gezien de tekst van het kettingbeding niet worden aangemerkt als het “per ongeluk” of onbewust overtreden van het kettingbeding. [partij B] wist en behoorde te weten dat plaatsing van de plantenkas (zonder toestemming van [partij A] ) een schending van het kettingbeding opleverde.

Wettelijke rente over de boete

De wettelijke rente over een verbeurde boete wordt echter pas verschuldigd na schriftelijke aanmaning op de voet van artikel 6:82 BW. Op 25 oktober 2023 heeft [partij A] [partij B] in gebreke gesteld en een redelijke termijn gegeven tot 1 januari 2024 voor nakoming, waaraan [partij B] geen gevolg heeft gegeven. De wettelijke rente over de boete zal daarom worden toegewezen vanaf 1 januari 2024.

Beroep op matiging van de boete

Het verweer van [partij B] dat een eventuele boete moet worden gematigd, slaagt evenmin.

Uit de toelichting bij artikel 6:94 lid 1 BW volgt dat de rechter zijn bevoegdheid terughoudend dient te hanteren: matiging is alleen toegestaan ‘indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist’. Die maatstaf brengt mee dat matiging alleen aan de orde is als toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal niet alleen moeten worden gelet op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen. De omstandigheden van het geval zijn uiteindelijk beslissend en niets verhindert de rechter gewicht toe te kennen aan de hoedanigheid van partijen. Ook de omstandigheden waaronder de tekortkoming tot stand kwam, zijn van belang. Het bedingen van een boete als aansporing tot nakoming of ter fixatie van schadevergoeding is op zich geoorloofd; het enkele uiteenlopen van schade en boete is onvoldoende grond voor matiging.

Het is in dit geval aan [partij B] zelf te wijten dat de boete verschuldigd is geraakt en (aanzienlijk) is opgelopen. [partij A] was immers bereid af te zien van de verschuldigde boetes als tijdig aan haar verzoek tot verwijdering van de plantenkas zou worden voldaan. [partij B] had de verschuldigdheid en het oplopen van de boete dus kunnen voorkomen door de plantenkas zoals verzocht weg te halen, zeker nu de plantenkas volgens [partij B] los op de grond staat en dus eenvoudig verwijderd had kunnen worden. Dat partijen de boete niet hebben gemaximeerd, is evenmin voldoende reden om tot matiging over te gaan. Matiging van de boete is onder de gegeven omstandigheden, waaronder ook het gegeven dat [partij B] geen natuurlijke persoon is, niet op zijn plaats.

De vordering onder 3.1.b) zal worden toegewezen zoals in het dictum verwoord.

De gevorderde dwangsom

[partij A] heeft gevorderd dat een dwangsom zal worden verbonden aan de niet nakoming van het door haar onder 3.1.a) gevorderde verbod. Een dwangsom heeft tot doel de nakoming van een rechterlijke veroordeling te bevorderen. De rechtbank is van oordeel dat een dwangsom niet aan de orde is, nu het contractuele boetebeding al een voldoende prikkel vormt. De gevorderde dwangsom zal daarom worden afgewezen.

voorts in reconventie

Opheffing en doorhaling van de beslagen

Bij deze stand van zaken ziet de rechtbank geen aanleiding de namens [partij A] gelegde beslagen op te (laten) heffen en door te (laten) halen. De rechtbank wijst de vorderingen onder 3.4. c) en d) daarom af.

voorts in conventie en in reconventie

Proceskosten

in conventie

[partij B] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij A] worden begroot op:

- dagvaarding

135,97

- overige explootkosten (beslag)

1.300,59

- griffierecht (inclusief rekest)

1.325,00

- salaris advocaat

1.535,00

(2,5 punten × tarief II ad € 614)

- nakosten

178,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

4.474,56

Dit totaalbedrag aan proceskosten bevat het bedrag dat [partij A] vordert onder 3.1 c). Deze vordering, bestaande uit € 1.300,59 aan overige explootkosten en € 325,00 aan griffierecht voor het beslagrekest, wordt dan ook toegewezen.

in reconventie

[partij B] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij A] worden begroot op:

- salaris advocaat

614,00

(1 punt × tarief II ad € 614)

- nakosten

178,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

792,00

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

5. De beslissing

De rechtbank:

in conventie

gebiedt [partij B] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de plantenkas en alle andere in strijd met het kettingbeding door haar geplaatste objecten op [perceel 5] te (doen) verwijderen en verwijderd te houden;

veroordeelt [partij B] tot betaling aan [partij A] van de verbeurde boetes van duizend euro per dag te rekenen vanaf 6 september 2023 tot aan de dag dat de tekortkoming is beëindigd, te vermeerderen met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW vanaf 1 januari 2024 tot aan de dag dat de tekortkoming is beëindigd;

verklaart voor recht dat het kettingbeding zo moet worden begrepen dat daarop, uitgezonderd het realiseren van een trap aan de achterzijde van het pand aan de [adres 2] in [plaats] en de aanleg van een verhard voetpad vanaf de [straatnaam 2] op [perceel 5] , geen bouwwerken in de meest ruime zin van het woord of andere objecten die daar niet van nature voorkomen mogen worden geplaatst, waaronder in elk geval een tuinschuurtje, schommel of tuinmeubel;

veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 4.474,56, inclusief beslagkosten, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt [partij B] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.

verklaart de veroordelingen onder 5.1, 5.2, 5.4 en 5.5 uitvoerbaar bij voorraad.

in reconventie

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 792,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.L.M. Luiten en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025.

Type: 2513.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?