Gezagsuitoefening
Beschikking op het op 12 mei 2025 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Erkens te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het verzoekschrift.
Op 24 juni 2025 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
Feiten
- Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
- Zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] , [geboorteland] .
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarige uit, blijkens de aantekening in het gezagsregister van 29 april 2019.
- [de minderjarige] verblijft bij de moeder.
- De vader heeft de Nederlandse nationaliteit en de moeder heeft de Braziliaanse nationaliteit.
- Partijen hebben overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:247a BW een ouderschapsplan opgesteld.
Verzoek
De moeder heeft in het kader van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) verzocht om aan haar toestemming te verlenen – die de toestemming van de vader vervangt – om in de periode van 13 juli 2025 tot en met 27 augustus 2025 met [de minderjarige] naar [geboorteland] te reizen, daar te verblijven en terug te reizen naar Nederland, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader heeft geen verweer gevoerd.
Beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De gewone verblijfplaats van [de minderjarige] is in Nederland. De Nederlandse rechter is dus bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de verzoeken.
Inhoudelijke beoordeling
Artikel 1: 253a eerste en tweede lid van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening geschillen tussen de ouders, waaronder ten aanzien van een vakantie, op verzoek van beide of van een van hen aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd en dat de rechtbank een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag.
Door de moeder is aangegeven dat zij in de zomervakantie graag met [de minderjarige] naar familie in [land] wil reizen. Het gaat om de periode 13 juli 2025 tot en met 27 augustus 2025. Hoewel de vader aanvankelijk bereid leek zijn toestemming te geven, reageert hij nu niet meer en ondertekent hij de benodigde formulieren niet.
De vader heeft geen verweer gevoerd.
De rechtbank acht het in het belang van [de minderjarige] om met haar moeder op vakantie te gaan en daarbij haar familie in [land] te bezoeken. Er is niet gebleken van feiten of omstandigheden die dat anders maken. De rechtbank zal daarom de vervangende toestemming verlenen, voor zowel de heenreis, het verblijf en de terugreis, omdat door de moeder is aangegeven dat de Braziliaanse autoriteiten dit vereisen.
Beslissing
De rechtbank:
verleent toestemming aan de moeder – welke de toestemming van de vader vervangt – om met de minderjarige: [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] , [geboorteland] in de periode van 13 juli 2025 tot en met 27 augustus 2025:
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.