de staatssecretaris van Defensie, eiser
(gemachtigde: mr. M.H.G. In de Braekt),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. C.W.P. van den Berg).
Inleiding
In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het Uwv op zijn verzoek van 7 september 2023 om de mate van arbeidsongeschiktheid van zijn (ex-)werknemer, [naam] , te herbeoordelen in de zin van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
1. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk-niet ontvankelijk is, omdat eiser het beroepschrift onredelijk laat heeft ingediend. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
2. Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, zoals in deze zaak, is het niet aan een termijn gebonden. Het beroep is niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.
3. Op 7 september 2023 heeft eiser zijn herbeoordelingsverzoek bij het Uwv ingediend. Omdat er binnen de wettelijke termijn geen beslissing op het verzoek werd genomen, heeft eiser op 9 november 2023 een ingebrekestelling verstuurd naar het Uwv. Het Uwv heeft de ontvangst daarvan op 15 november 2023 bevestigd.
4. Op 15 januari 2024 heeft het Uwv een dwangsombeschikking afgegeven. In januari 2025 is er contact geweest met het Uwv via het werkgeversportaal. Er is echter nog geen beslissing ontvangen.
5. Eiser heeft op 16 mei 2025 beroep ingesteld. Dat is een anderhalf jaar na het versturen van de ingebrekestelling op 9 november 2023. Door eiser is weliswaar gesteld dat er geregeld contact is geweest met het Uwv en voor het laatst op 25 januari 2025, maar het dossier bevat geen stukken waarmee die stelling wordt onderbouwd. De rechtbank gaat er daarom van uit dat eiser vanaf de datum van ingebrekestelling tot het contactmoment in januari 2025 meer dan één jaar geen actie heeft ondernomen en ook daarna opnieuw heeft nagelaten om actie te ondernemen om een besluit op zijn verzoek om herbeoordeling te verkrijgen. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.
6. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van S.I. Teunissen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.