RECHTBANK DEN HAAG
[naam], eiseres/verzoekster
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.42030 en NL25.42033
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en voorzieningenrechter van 19 november 2025 in de zaak tussen
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en
(gemachtigde: mr. D.A.M. Frieser).
Procesverloop
1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiseres valt onder de categorie zogenoemde derdelanders uit Oekraïne, die recht hadden op tijdelijke bescherming als bedoeld in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (de Richtlijn).
Eiseres heeft ook een asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 31 mei 2023 buiten behandeling gesteld. Op 21 februari 2024 heeft de minister een terugkeerbesluit genomen, omdat de tijdelijke bescherming van rechtswege eindigt na 4 maart 2024. Tegen voornoemde besluiten is geen beroep ingesteld, waardoor de besluiten in rechte vast zijn komen te staan.
De facultatieve bescherming is door de minister per 4 maart 2024 beëindigd. Bij brief van 1 mei 2024 heeft de minister eiseres laten weten dat de bevriezingsmaatregel op haar van toepassing is die gold na de beëindiging van de tijdelijke bescherming van derdelanders.
Bij brief van 15 juli 2025 heeft de minister eiseres laten weten dat de bevriezingsmaatregel eindigt per 4 september 2025. Daarin is aan eiseres meegedeeld dat zij Nederland binnen 4 weken moet verlaten.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de brief van 15 juli 2025.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de voorlopige voorziening, op 19 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Beslissing
- De rechtbank verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.
- De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Overwegingen
2. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
De asielaanvraag van eiseres is met het besluit van 31 mei 2023 buiten behandeling gesteld. Daarnaast is op 21 februari 2024 aan eiseres een terugkeerbesluit opgelegd. Eiseres heeft geen beroep ingesteld tegen voornoemde besluiten, zodat de besluiten in rechte vast staan.
In de brief waarin de minister de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 beëindigt, is opgenomen dat de groep derdelanders die geen rechtsmiddelen hebben aangewend tegen de terugkeerbesluiten, geen nieuwe terugkeerbesluiten zullen ontvangen. Nu eiseres geen beroep heeft ingesteld tegen het terugkeerbesluit valt zij onder deze groep. Uit de brief volgt ook dat deze groep per brief geïnformeerd wordt over het eindigen van de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025. Vanaf die datum hebben ze nog vier weken om Nederland zelfstandig te verlaten. Gedurende deze tijd heeft deze groep nog recht op opvang en (gemeentelijke) voorzieningen, maar vanaf dat moment mag de derdelander niet meer werken.
De rechtbank is van oordeel dat de brief van 15 juli 2025 geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. De facultatieve tijdelijke bescherming voor de groep derdelanders is per 4 maart 2024 geëindigd. De bevriezingsmaatregel is per 4 september 2025 geëindigd. De brief van 15 juli 2025 informeert over de gevolgen van de beëindiging van de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025. Met deze informatiebrief zijn echter geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven geroepen. De rechtsgevolgen zijn namelijk het gevolg van de beëindiging van de facultatieve tijdelijke bescherming zelf en van het aan eiseres opgelegde terugkeerbesluit. De verwijzing naar de uitspraak van 23 april 2025 van de Afdeling slaagt niet, nu eiseres tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 geen beroep heeft ingesteld, zodat dit besluit onherroepelijk is geworden. De rechtbank volgt eiseres ook niet in het standpunt dat uit de genoemde Afdelingsuitspraak de onrechtmatigheid van het terugkeerbesluit in het specifieke geval van eiseres volgt en dat het terugkeerbesluit daarom niet langer bestaat. De rechtbank is verder van oordeel dat de bevriezingsmaatregel geen rechtmatig verblijf geeft, zodat bij de beëindiging daarvan geen nieuw terugkeerbesluit vereist is. De beëindiging van de bevriezingsmaatregel is evenmin een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb.
De rechtbank is, gelet op het voorgaande, onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.
3. Omdat de rechtbank onbevoegd is om van het beroep kennis te nemen, is er geen beroep waarmee het verzoek om een voorlopige voorziening samenhangt. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening daarom niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van connexiteit.
Conclusie en gevolgen
4. De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt.
5. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van N. Walstra, griffier.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop dit proces-verbaal is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.