RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.53583
(gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen),
en
(gemachtigde: mr. J. Herlaar).
Procesverloop
1. Bij besluit van 16 oktober 2025 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen V. Sharma. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Tijdens de zitting heeft eiser verzocht om een nadere termijn om zijn medische dossier in te dienen. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen. Op vrijdag 14 november 2025 heeft eiser zijn medisch dossier ingediend en op maandag 17 november 2025 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
2. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
3. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
4. Eiser voert aan dat de vrijheidsontnemende maatregel onevenredig bezwarend is. Hij heeft last van hartklachten, hoge cholesterol en diabetes. Daarnaast heeft eiser ook psychische klachten en last van slapeloosheid. Door de benauwde ruimten van het detentiecentrum zijn de fysieke en geestelijke klachten toegenomen. Eiser is vanwege zijn hartklachten kort opgenomen in het ziekenhuis.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser aan de grens een asielaanvraag heeft gedaan terwijl hij niet aan de toegangsvoorwaarden voldoet. Onder deze omstandigheden mag verweerder in beginsel een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid van de Vw opleggen tenzij bijzondere omstandigheden ertoe nopen om hiervan af te zien.
7. De rechtbank begrijpt dat de bewaring eiser zwaar valt, maar dat maakt niet dat verweerder een lichter middel moest opleggen. In de maatregel van 16 oktober 2025 heeft verweerder de door eiser aangevoerde diabetes en hartklachten benoemd en daarover overwogen dat deze medische omstandigheden geen aanleiding vormen om van het opleggen van de maatregel af te zien. Eiser kan zich voor zijn medische problemen wenden tot de medische dienst in het detentiecentrum, en wordt daar ook al behandeld voor zijn klachten. Uit het medisch dossier volgt weliswaar dat eiser duidelijk medische klachten heeft, maar niet dat hij hierdoor niet langer in het detentiecentrum kan verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de maatregel in het geval van eiser niet onevenredig bezwarend is en heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien om een lichter middel toe te passen en daarmee het grensbewakingsbelang prijs te geven.
8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.