RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54297
(gemachtigde: mr. A.D. Kupelian),
en
(gemachtigde: mr. S. Juriaans).
Procesverloop
1. Bij besluit van 30 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 10 november 2025 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hierop op 12 november 2025 gereageerd. De rechtbank heeft op 14 november 2025 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
2. Eiser stelt van Tsjechische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1991.
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser voert aan dat verweerder niet voortvarend handelt. Eiser is acht keer eerder uitgezet, waarvan de meest recente uitzetting op 17 oktober 2025 was. Verweerder heeft de nodige informatie dus zeer recent nog in handen gehad. Daarbij is geen twijfel over de identiteit en nationaliteit van eiser. In dit geval is uitzetting slechts een kwestie van een ticket kopen. Het is onduidelijk waarom eiser nog niet is uitgezet.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden die door verweerder aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, niet heeft betwist. Deze gronden zijn ook feitelijk juist en door verweerder voldoende toegelicht, zodat ook deze gronden met recht aan eiser zijn tegengeworpen. Gelet hierop zijn voldoende gronden aanwezig om ten aanzien van eiser een risico op onttrekking aan het vreemdelingentoezicht aan te nemen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast.
7. Verder heeft de Afdeling in het algemeen zowel bij geplande bewaring als bij bewaring na een geplande overdracht een eerste daadwerkelijke handeling op dag zes voldoende voortvarend geacht. Verweerder heeft al op 4 november 2025, de vijfde dag na inbewaringstelling, een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Verder heeft verweerder op 5 november 2025 een nieuwe laissez-passer aangemaakt en is op 12 november 2025 de laissez-passer aanvraag verstuurd naar de Tsjechische autoriteiten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee voldoende voortvarend gehandeld, temeer omdat in eisers geval geen sprake was van een geplande bewaring. Dat enkel een vliegticket dient te worden gekocht, is gezien de voornoemde uitzethandelingen niet aan de orde.
8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.