RECHTBANK DEN HAAG
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. S. Kuster).
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.44379
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. E. Ceylan),
en
Procesverloop
Verzoeker heeft op 11 november 2024 beroep ingesteld tegen de afwijzing van de aanvraag om afgifte van een (faciliterend) visum waarbij beroep is gedaan op artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en het arrest Chavez- Vilchez van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017 (ECLI:EU:C:2017:354).
In het besluit van 8 juli 2025 is de aanvraag van verzoeker alsnog ingewilligd en het besluit betreffende de eerdere afwijzing ingetrokken. Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. De minister heeft de rechtbank medegedeeld zich niet te verzetten tegen toewijzing van het verzoek om proceskostenvergoeding.
Overwegingen
3. De proceskosten worden als volgt berekend. Verzoeker heeft zich laten bijstaan door een gemachtigde. Deze gemachtigde heeft proceshandelingen verricht, namelijk het indienen van een beroepschrift. Deze proceshandeling levert één punt op met een waarde van € 907,-. Dat betekent dat de totale proceskosten die de minister aan verzoeker moet vergoeden € 907,- bedragen.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
24 juli 2025
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.