RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 november 2025 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.47480
(gemachtigde: mr. A. Šimičević),
en
(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De afgewezen asielaanvraag houdt ook een terugkeerbesluit in waarin staat dat eiser binnen vier weken moet vertrekken uit Nederland. Eiser heeft daar ook een beroepsgrond tegen aangevoerd. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag en het opleggen van het terugkeerbesluit.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft namelijk deugdelijk gemotiveerd waarom eiser geen vrees voor vervolging heeft of het reële risico loopt op ernstige schade in Turkije vanwege zijn homoseksuele gerichtheid. Ook mocht de minister het terugkeerbesluit opleggen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 8 januari 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 25 september 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 21 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting en zijn niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is homoseksueel en heeft dit in Turkije verborgen gehouden voor zijn familie. Zijn beste vrienden zijn wel op de hoogte van zijn gerichtheid. Hij heeft drie serieuze relaties gehad. Op zijn werk kreeg hij te maken met vervelende opmerkingen en hij werd bedreigd door iemand die zijn foto had gezien op de dating-app Hornet. Deze persoon dreigde zijn foto bij zijn familie bekend te maken. Kort voor zijn vertrek zette eisers familie hem onder druk om te trouwen en kampte eiser met psychische problemen. Eiser vreest voor de invoering van een nieuwe wet in Turkije die hem in moeilijkheden kan brengen.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:(1) identiteit, nationaliteit en herkomst en (2) homoseksuele gerichtheid.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de verklaringen van eiser over deze asielmotieven geloofwaardig zijn, maar dat hieruit niet volgt dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Turkije een reëel risico op ernstige schade loopt. Om die reden verklaart de minister de asielaanvraag ongegrond.
Verwijzing naar wat eerder is aangevoerd in de procedure
5. Eiser betoogt dat hij in de zienswijze uitgebreid heeft gereageerd op het voornemen. In het bestreden besluit gaat de minister hieraan voorbij. Eiser verzoekt dan ook de zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen.
De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan op eisers bezwaren uit de zienswijze. Het is dan aan eiser om aan te geven waarom de reactie van de minister op de zienswijze in het bestreden besluit niet klopt of niet volledig is. Eiser kan niet volstaan met uitsluitend aan te voeren dat hij het niet eens is met de minister en te verwijzen naar zijn eerdere bezwaren. Het ligt op de weg van eiser om specifiek aan te geven welke punten in de reactie van de minister volgens hem onjuist of onvolledig zijn. Nu eiser dit niet gedaan heeft zal de rechtbank zich alleen richten op onderbouwde gronden die eiser in zijn beroep heeft aangevoerd.
Heeft de minister ten onrechte geconcludeerd dat eiser geen vrees voor vervolging heeft of reëel risico loopt op ernstige schade vanwege zijn gerichtheid?
6. Eiser betoogt dat de minister onterecht heeft geoordeeld dat hij in Turkije geen vrees hoeft te hebben voor vervolging of risico loopt op ernstige schade vanwege zijn seksuele gerichtheid. Volgens eiser schiet de bescherming van lhbtiq+-personen in Turkije ernstig tekort: politie en justitie handelen meldingen vaak discriminerend af, procedures worden vertraagd of genegeerd en contactverboden bij huiselijk geweld binnen lhbtiq+-relaties worden nauwelijks opgelegd. Hierdoor hebben lhbtiq+-personen weinig vertrouwens in de autoriteiten en zijn zij terughoudend om hulp te zoeken. Deze omstandigheden moeten volgens eiser worden meegewogen bij de beoordeling van zijn terugkeer naar Turkije, aangezien bescherming door de Turkse autoriteiten ontbreekt. Verder is eiser het niet eens met het standpunt van de minister dat hij zich in Turkije terughoudender moet gedragen om rekening te houden met zijn familie, niet betekent dat sprake is van vervolging. Eiser voert aan dat dat de minister zijn eerdere ervaringen in Turkije, het feit dat de autoriteiten hem daar geen bescherming konden bieden en zijn persoonlijke ontwikkeling in Nederland onvoldoende heeft betrokken, waardoor het besluit onvoldoende is gemotiveerd. Eiser voert tot slot aan dat de minister zijn ervaringen vanwege zijn gerichtheid (geweld, discriminatie en bedreigingen) had moeten erkennen als asielmotief. Dat is nu niet gebeurd. Aangezien de minister de ervaringen van eiser niet in twijfel trekt, kan worden geconcludeerd dat deze ervaringen als geloofwaardig worden beschouwd.
De rechtbank stelt vast en tussen partijen is ook niet in geschil dat de situatie voor de lhbtiq+-gemeenschap in Turkije slecht is en dat hun rechten onder druk staan. Uit het beleid van de minister volgt dat de minister aanneemt dat het voor lhbtiq+-personen niet mogelijk is bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties, tenzij sprake is van concrete en individualiseerbare aanknopingspunten op basis waarvan kan worden aangenomen dat het verkrijgen van bescherming mogelijk is. Zowel eiser als de minister verwijzen naar het Algemeen Ambtsbericht Turkije van februari 2025. Daarin staat dat het sociale klimaat voor lhbtiq+-personen in Turkije in de periode 2023 tot begin 2025 slecht bleef. Dit blijkt onder andere uit negatieve uitspraken van de overheid, maatschappelijke afkeer, het verbod op films over de lhbtiq+-gemeenschap en harde optredens tegen lhbtiq+-rechtenorganisaties. Homoseksualiteit is in Turkije echter niet strafbaar en de gemeenschap is veerkrachtig, zichtbaar en goed georganiseerd, vooral in steden als Istanbul en Ankara. Daarnaast zetten delen van het maatschappelijk middenveld (zoals belangenorganisaties, de advocatenorde en sommige oppositiepartijen) zich in voor de rechten van lhbtiq+-personen.
Hoewel duidelijk is dat de situatie voor de lhbtiq+-gemeenschap in Turkije zorgelijk is, betekent dit niet dat iemand afkomstig uit de lhbtiq+-gemeenschap uit Turkije automatisch vluchteling is. De minister moet altijd een individuele toets maken (zoals bedoeld onder 6.1) om te beoordelen of iemand vanwege zijn seksuele gerichtheid risico loopt op vervolging en bescherming nodig heeft. In de situatie van eiser is dit niet het geval. Eiser heeft verklaard geen problemen te hebben gehad met de Turkse autoriteiten vanwege zijn gerichtheid en ondervond geen andere situaties die gelijk te stellen zijn aan vervolging. De rechtbank is van oordeel dat de minister de individuele omstandigheden van eiser voldoende heeft meegewogen in de besluitvorming. In deze beoordeling heeft de minister ook voldoende de ervaringen van geweld, discriminatie en bedreigingen vanwege de gerichtheid van eiser meegewogen. De minister is op goede gronden tot de conclusie gekomen dat de individuele omstandigheden van eiser niet laten zien dat eiser vanwege zijn seksuele gerichtheid een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade en daarom bescherming nodig heeft. De geweldsincidenten met klasgenoten dateren van 2005-2008. Sindsdien heeft eiser geen vergelijkbare geweldsincidenten meer ondervonden. De bedreiging in 2023 om een foto van eiser van de app Hornet aan zijn familie bekend te maken, heeft niet tot verdere acties geleid en kan niet worden aangemerkt als een daad van vervolging. Ook de pesterijen op het werk vormen geen vervolging omdat eiser zijn werk kon blijven uitvoeren. De druk vanuit de familie om te trouwen en de vragen van zijn zus vormen geen vervolgingsgrond. Eiser heeft verklaard dat zijn familie hem geen fysiek of ernstig psychisch leed zal aandoen. Verder heeft eiser in Turkije op verschillende manieren uiting kunnen geven aan zijn homoseksualiteit. Hij had relaties met mannen, bezocht ontmoetingsplaatsen en gebruikte een datingapp. Dat hij binnenshuis soms vrouwenkleding droeg, maar dit niet als wezenlijk onderdeel van zijn identiteit ziet, maakt niet dat sprake is van een uitingswens die leidt tot vervolgingsrisico. Dat eiser psychische druk heeft ervaren en hiervoor behandeling heeft gekregen, is invoelbaar, maar vormt op zichzelf geen grond voor bescherming. Gelet op het voorgaande is niet gebleken dat eiser in Turkije is blootgesteld aan vervolging of dat hij bij terugkeer een gegronde vrees daarvoor heeft. Ook is niet gebleken dat eiser een reëel risico loopt op ernstige schade vanwege zijn gerichtheid. Tot slot leidt het betoog van eiser over dat hij zijn ervaringen met geweld, discriminatie en bedreigingen als apart asielmotief had willen terugzien niet tot een ander oordeel. Uit het voorgaande blijkt namelijk dat de minister deze omstandigheden voldoende heeft betrokken in de besluitvorming en dat deze individuele omstandigheden niet leiden tot de conclusie dat eiser een asielvergunning moet krijgen. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Is het terugkeerbesluit ten onrechte opgelegd?
7. Eiser voert tot slot aan dat het terugkeerbesluit geen stand kan houden omdat het niet deugdelijk is gemotiveerd.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft onder 6.1 vastgesteld dat de minister op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat eiser geen gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade heeft. Dat betekent dat de asielaanvraag van eiser afgewezen mocht worden. Nu eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland, is de minister volgens de wet bevoegd en verplicht een terugkeerbesluit uit te vaardigen. De stelling van eiser dat het terugkeerbesluit geen stand kan houden, faalt daarom dan ook.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister de asielaanvraag van eiser heeft mogen afwijzen als ongegrond. Ook het terugkeerbesluit blijft in stand. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach - de Wit, rechter, in aanwezigheid vanmr. S.M. Hampsink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.