[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)
(gemachtigde: mr. M.L. Hoogendoorn)
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van haar asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter haar verzoek om een voorlopige voorziening. Eiseres heeft op 21 januari 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 9 februari 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Daags voor de zitting heeft verweerder aangegeven niet ter zitten te verschijnen. Verweerder heeft niet op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 12 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en S. Olia als tolk.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 2001 en heeft de Iraanse nationaliteit. Zij heeft het volgende aan haar asielrelaas ten grondslag gelegd. Sinds eiseres zeven jaar oud was heeft haar stiefvader haar stelselmatig mishandeld. Het ging om fysieke mishandeling en bedreigingen. Daarnaast heeft hij haar ook beperkt in haar educatie en sociale vrijheid. Drie á vier maanden voor haar vertrek begon hij haar ook seksueel te misbruiken. Eiseres is eenmaal zelfs in het ziekenhuis beland en heeft meerdere blijvende fysieke en mentale klachten aan de mishandelingen overgehouden. Haar familie heeft haar niet geholpen. Alleen haar moeder probeerde het sinds kort voor haar op te nemen. Op enig moment heeft eiseres haar paspoort gevonden – die haar stiefvader van haar af had genomen – en heeft ze een plan bedacht te vluchten. Toen haar moeder en stiefvader niet thuis waren is eiseres van huis gegaan en is toen via [plaats] naar Armenië gevlucht. Eiseres is bang dat hij haar in Iran zal kunnen vinden. Zij is al eens eerder van huis weggelopen en toen heeft haar stiefvader haar ook gevonden. Twee jaar geleden is eiseres een keer door de zedenpolitie aangehouden waarbij de auto van haar moeder is doorzocht op alcohol, eiseres is gefouilleerd en zij is aangesproken op haar kleding. Haar gegevens zijn dus ook bekend bij de zedenpolitie. Recent is er verder bij haar moeder een dagvaarding binnengekomen maar het is niet duidelijk of deze voor eiseres bestemd is. Haar moeder is intussen ook door haar stiefvader uit huis gegooid. Bij terugkeer naar Iran vreest eiseres door haar stiefvader te worden vermoord.
Het bestreden besluit
3. Verweerder vindt het asielrelaas van eiseres geloofwaardig. Eiseres is echter geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Daarnaast neemt verweerder geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer aan. In dit kader werpt verweerder eiseres tegen dat haar vrees niet aannemelijk is omdat zij zich aan haar stiefvader kan onttrekken. Zo is eiseres een volwassen vrouw, heeft zij de middelbare school afgerond en is zij in staat om te werken. Ook zou zij zich bij haar moeder en overige familie kunnen vestigen. Verder is niet aannemelijk gemaakt dat eiseres haar stiefvader haar overal zou kunnen vinden, noch dat hij dit zou willen. Verweerder ziet ook geen verhoogd risico voor eiseres bij terugkeer naar Iran omdat zij legaal is uitgereisd en het feit dat zij een alleenstaande vrouw is hier geen rol bij speelt. Daarnaast is niet gebleken dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van haar asielaanvraag in Nederland. Verder wordt haar asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond omdat zij haar paspoort heeft vernietigd of weggemaakt en hier wisselend over heeft verklaard. Tot slot wordt eiseres een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod van twee jaar opgelegd. Daarbij geldt het terugkeerbesluit voor zowel Iran als Turkije omdat er een removal order voor Turkije is.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en ondeugdelijk is gemotiveerd. Voorop staat dat zij gezien moet worden als behorend tot een sociale groep. Hiervoor verwijst eiseres naar een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof). Verweerder heeft daarbij ten onrechte onvoldoende de door eiseres ingebrachte landeninformatie betrokken bij de beoordeling, wat in strijd is met het UNHCR Handboek. Er is dan ook sprake is van een gegronde vrees van vervolging en verweerder heeft ten onrechte de vrees alleen beoordeeld in het kader van artikel 3 van het EVRM. Daarnaast kan haar niet verweten worden dat zij niet eerder dan in de zienswijze eerwraak heeft genoemd en verweerder had dit integraal moeten betrekken bij de beoordeling. Daar komt bij dat onvoldoende rekening is gehouden met het referentiekader van eiseres en haar omstandigheden. Daarnaast is eerwraak niet enkel een kwestie van religie maar vooral een kwestie van cultuur en kan ook haar stiefvader opdracht hiertoe geven, omdat zij zonder zijn permissie is vertrokken en hij zal vrezen dat eiseres over het misbruik zal vertellen. Eiseres specificeert hierbij dat zij tot vier keer toe door hem is verkracht. Hij zal haar daarbij overal kunnen vinden. Indien eiseres niet als vluchteling wordt gezien, gaat verweerder er daarbij ten onrechte vanuit dat zij zich elders zelfstandig kan vestigen. Alleenstaande vrouwen kunnen geen bestaan opbouwen in Iran. Verder heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom eiseres niet alsnog in aanmerking komt voor verblijf op grond van het traumatabeleid.
Eiseres voert ook in beroep aan dat haar situatie inmiddels is veranderd. Haar moeder is recent naar het huis van haar broer (de oom van eiseres) gehaald waar de ook stiefvader van eiseres was. Hier is de moeder geconfronteerd met een arrestatiebevel voor eiseres omdat zij is veroordeeld tot de doodstraf. Hierna ontstond een ruzie, waarbij de moeder is geslagen. De oom van eiseres heeft daarbij namens de familie aangegeven dat eiseres ook door hun niet in leven gelaten zal worden omdat zij de eer van de familie heeft geschonden. Haar moeder is daarna gedwongen terug te keren naar het huis van de stiefvader. Eiseres heeft dit op 21 februari 2025 van haar moeder vernomen. Haar moeder is sindsdien slecht bereikbaar voor haar. Dit heeft voor eiseres tot een verergerde gezondheidssituatie geleid en suïcidale gedachten. In verband hiermee is de eerder opgelegde grensdetentie op 5 maart 2025 is opgeheven.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Er is in beroep nieuwe informatie overgelegd in de vorm van verklaringen van eiseres over de toestand in haar land van herkomst. De rechtbank verwijst naar de omstandigheden zoals benoemd onder rechtsoverweging 4.1. Daarnaast heeft eiseres nader gespecificeerd dat zij tot vier keer toe door haar stiefvader is verkracht.
De rechtbank constateert dat verweerder in het bestreden besluit noch in beroep is ingegaan op de aangevoerde grond dat eiseres kenmerken heeft die maken dat zij behoort tot een sociale groep in de zin van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Kwalificatierichtlijn. Verweerder heeft in het bestreden besluit verwezen naar paragraaf C2/3.2.5.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) waaruit blijkt dat Iraanse vrouwen niet als sociale groep worden aangewezen en geeft terecht aan dat het afhankelijk is van het land van herkomst en de omstandigheden daar of vrouwen als sociale groep gezien kunnen worden. Niet verder gemotiveerd is echter waarom vrouwen afkomstig uit Iran, slachtoffer van huiselijk geweld, het ouderlijk huis ontvlucht, en mogelijk slachtoffer van verkrachting en doelwit voor eerwraak van de familie in brede zin, niet alsnog zou moeten worden gekwalificeerd als een sociale groep in voornoemde zin. Eiseres heeft hierbij ook verwezen naar het rapport van de UK Home Office waarin vermeld wordt dat vrouwen die het doelwit zijn van eerwraak, mogelijk niet worden beschermd door de autoriteiten en als sociale groep gezien kunnen worden.
Daar komt bij dat verweerder in het geheel geen standpunt heeft ingenomen over de nieuw aangevoerde omstandigheden. De rechtbank overweegt dat deze nieuwe informatie van belang is voor de mogelijkheden van eiseres om zich elders in Iran te kunnen vestigen. Verweerder heeft eiseres tegenworpen dat zij zich als volwassen vrouw volledig kan onttrekken aan haar stiefvader en zich eventueel bij haar moeder en overige familie kan voegen. Hierbij heeft verweerder overwogen dat haar stiefvader volgens het Iraans familierecht niet de verantwoordelijkheid over eiseres draagt totdat ze trouwt en er in wettelijke zin niets is dat haar tegenhoudt om zelfstandig te leven. Op basis van de nieuw ingebrachte informatie zou haar moeder zich onder dwang opnieuw gevoegd hebben bij haar stiefvader en haar oom zou namens de familie hebben aangegeven dat eiseres bij terugkeer niet in leven gelaten zou worden. Dit kan betekenen dat eiseres niet langer de hulp van haar moeder of overige familie in kan roepen of zich bij hen kan voegen. Ook heeft eiseres in beroep gewezen op het rapport van de UK Home Office waarin onder andere wordt genoemd dat alleenstaande vrouwen mogelijk aangewezen zijn op hulp van (mannelijke) familieleden of een sociaal vangnet om zich elders in Iran te kunnen vestigen. Nu de situatie van eiseres mogelijk is gewijzigd, noopt dit tot nader onderzoek van verweerder in hoeverre dit nog van eiseres verwacht kan worden. De rol van de stiefvader in familierechtelijke zin is dan mogelijk ook niet langer relevant nu haar eigen familie zich tegen eiseres zou hebben gekeerd. De mannelijke familieleden zouden inmiddels hebben bepaald dat eiseres de eer van de familie heeft geschonden. Bovendien zou er een doodsvonnis klaarliggen wat, naast de in het relaas genoemde dagvaarding, ook van belang kan zijn voor de vraag of de autoriteiten eiseres enige bescherming zouden bieden.
De rechtbank acht het voorgenoemde van dusdanig belang voor de vraag of eiseres een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt, dat verweerder hierover een standpunt dient in te nemen en nader onderzoek moet doen. Nu verweerder dit niet heeft gedaan, kleeft er aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek dat naar oordeel van de rechtbank niet gepasseerd kan worden. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen. Hierdoor komt de rechtbank er niet meer aan toe om de overige gronden, voor zover die er zijn, inhoudelijk te behandelen.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met de artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat het besluit een motiveringsgebrek bevat en niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet gelet op hetgeen is overwogen onder rechtsoverweging 5.3 geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waar van € 907,- per punt en een wegingsfactor 1).
Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Ook voor het verzoek om een voorlopige voorziening wordt verweerder in de proceskosten veroordeeld. Deze vergoeding bedraagt € 907,- (1 punt voor het verzoekschrift met een waarde van € 907,- per punt met een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.