ECLI:NL:RBDHA:2025:22356

ECLI:NL:RBDHA:2025:22356, Rechtbank Den Haag, 04-11-2025, NL 25.51907

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 04-11-2025
Datum publicatie 01-12-2025
Zaaknummer NL 25.51907
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0011823

Samenvatting

Bewaring p-v mondelinge uitspraak, artikel 6 derde lid. Lichter middel en onderzoeksplicht geschonden vanwege de mogelijkheid tot het verblijven bij een vriend. Gegrond, schadevergoeding en pkv.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL25.51907

[V-Nummer]

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

(gemachtigde: mr. G.E. Jans),

en

( [gemachtigde verweerder] ).

Procesverloop

Bij besluit van 16 oktober 2025 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Abdulla. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel van bewaring met ingang van 4 november 2025

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.300,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,00.

Overwegingen

De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.

2. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.

3. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan de vrijheidsontnemende maatregel, omdat er geen significant risico is op onderduiken. Eiser heeft een vriend in Nederland en kan bij hem verblijven.

4. De Afdeling heeft bepaald dat de gronden 3a, 4b en 4c van de maatregel voldoende zijn om uit te gaan van een risico voor onderduiken. Uit de uitspraak van de Afdeling van 1 augustus 2014 volgt echter ook dat de vraag of iemand in detentie moet worden geplaatst en gehouden daarmee nog niet af is. Als eiser informatie geeft die zou kunnen leiden tot een lichter middel, dan moet daarnaar gekeken worden. De rechtbank kijkt daarbij naar de volgende informatie.

Op 16 oktober 2025 heeft eiser zich op Schiphol gemeld met een visum van Spanje. Hij heeft op Schiphol asiel aangevraagd. Eiser heeft daarbij aangegeven in Nederland een vriend te hebben die zijn vliegticket heeft betaald. Op 19 oktober 2025 is eiser gehoord in het Aanmeldgehoor Dublin. Op de vraag of hij zou meewerken aan de overdracht, heeft eiser geantwoord dat hij liever niet naar Spanje gaat. De rechtbank stelt vast dat eiser in dit gehoor niet heeft gezegd dat hij niet zal meewerken aan zijn overdracht. Op 23 oktober 2025 heeft eiser via zijn advocaat laten weten dat hij terecht kan bij zijn vriend [naam vriend] en dat [naam vriend] ook voor zijn kosten van onderhoud kan instaan. Eiser heeft hierbij het betreffende adres doorgegeven, als ook een daarmee overeenstemmende verklaring van [naam vriend] plus een kopie van diens ID-bewijs overgelegd. In het vertrekgesprek van 3 november 2025 en ter zitting geeft eiser aan dat hij liever niet naar Spanje gaat, maar dat hij zal meewerken als het moet. Zijn vriend is nog steeds bereid om eiser onderdak te geven en te voorzien in de kosten van onderhoud.

Het opleggen en laten voortduren van grensdetentie is een grote inperking van iemands recht op vrijheid van beweging. Detentie is altijd een laatste redmiddel, een ultimum remedium. Volgens artikel 28 van de Dublinverordening is detentie ook alleen mogelijk als er geen andere, minder dwingende alternatieve maatregelen mogelijk zijn. Op verweerder rust dus een grote verantwoordelijkheid om onderzoek te doen teneinde te bekijken of de detentie (nog steeds) noodzakelijk is. De rechtbank constateert dat verweerder dit in het geval van eiser niet heeft gedaan, terwijl er gelet op voorgaande feiten en omstandigheden met ingang van 23 oktober 2025 wel voldoende aanknopingspunten waren om dat te doen.

Dat [naam vriend] , zoals verweerder ter zitting heeft gesteld, in een nader schrijven van 29 oktober 2025 zegt dat eiser bij hem kan wonen als ook dat hij hoopt dat eiser in Nederland kan blijven, maakt dit niet anders. Het gaat er immers om wat eisers intenties zijn, niet die van een ander. Verweerder had dan ook moeten onderzoeken of er met eiser afspraken te maken zouden zijn om tot aan zijn overdracht aan Spanje bij deze vriend te blijven. De rechtbank merkt daarbij op dat niemand een glazen bol heeft en dus dat iedere afspraak een mate van onzekerheid in zich zal dragen. Hoe eerder echter verweerder deze onzekerheid in het nadeel van de vreemdeling laat uitvallen, hoe sneller verweerder zijn onderzoeksplicht schendt en daarmee het gebod tot detentie als ultimum remedium.

5. Het beroep is gegrond en de maatregel is met ingang van 23 oktober 2025 onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel met ingang van

4 november 2025.

6. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 13 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) bewaring van 13 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.300,-.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2025 door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van M.A. van Garder, griffier.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R.H.G. Odink

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?