ECLI:NL:RBDHA:2025:22442

ECLI:NL:RBDHA:2025:22442, Rechtbank Den Haag, 13-11-2025, NL25.41667, NL24.48186, NL25.28899 en NL25.41669

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 13-11-2025
Datum publicatie 01-12-2025
Zaaknummer NL25.41667
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 2 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

beroep tegen terugkeerbesluit - RTB - arrest Kaduna en Abkez - artikel 3 van het EVRM - beroep tegen afwijzing aanvraag Arbeid in loondienst - artikel 6 Besluit 1/80 - niet-tijdelijke en stabiele situatie op de arbeidsmarkt - arbeid verricht onder de RTB - beroepen ongegrond.

Uitspraak

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker, hierna: eiser

(gemachtigde: mr. D. Schaap),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. van Boheemen).

Inleiding

1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiser tegen het aan hem opgelegde terugkeerbesluit (NL25.41667), het beroep tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘Arbeid in loondienst’ (NL24.48186) en oordeelt de voorzieningenrechter over de verzoeken om een voorlopige voorziening van eiser (NL25.28899 en NL25.41669).

In het beroep met zaaknummer NL25.41667 heeft verweerder met het bestreden besluit van 5 augustus 2025 aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en bepaald dat hij binnen vier weken na 4 september 2025 Nederland dient te verlaten.

In het beroep met zaaknummer NL24.48186 heeft verweerder bij besluit van 3 mei 2024 (het primaire besluit) bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘Arbeid in loondienst’. Bij besluit van 6 november 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen beide bestreden besluiten beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening.

Verweerder heeft op beide beroepen gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft de beroepen op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Sivridag als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaan deze zaken over?

2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2000 en heeft de Turkse nationaliteit. Eiser verbleef op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne op het moment dat de invasie van Oekraïne door de Russische strijdkrachten begon. Van 25 juli 2022 tot 4 maart 2024 heeft eiser rechtmatig verblijf in Nederland gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB). Eiser heeft op 10 augustus 2022 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag op 11 augustus 2023 buiten behandeling gesteld omdat eiser geen zienswijze heeft ingediend.

In de periode dat eiser in Nederland verbleef op grond van de RTB, heeft hij op 13 februari 2024 een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend onder de beperking ‘Arbeid in loondienst’ op grond van artikel 6 van Besluit 1/80.

3. Verweerder heeft de aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning afgewezen, omdat eisers verblijfsrecht op grond van de RTB geen onomstreden verblijfsrecht is. Om die reden kunnen eisers werkzaamheden niet worden aangemerkt als legale arbeid zoals bedoeld in artikel 6 van Besluit 1/80. Eiser heeft tegen het besluit van 6 november 2024 beroep ingesteld.

Daarnaast heeft verweerder op 5 augustus 2025 aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Verweerder heeft in dit besluit aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB van rechtswege is geëindigd per 4 maart 2024, nu niet langer facultatieve tijdelijke bescherming wordt verleend aan derdelanders die een tijdelijk verblijfsrecht hadden in Oekraïne. Verweerder heeft daarbij geconcludeerd dat eiser enkel procedureel rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder h, Vw en er geen sprake is van risico’s bij terugkeer naar Turkije omdat eiser niet heeft onderbouwd dat hij dienstweigeraar is. Verder heeft verweerder overwogen dat indien eiser meent dat hem een verblijfsrecht toekomt op grond van artikel 8 van het EVRM, hij een daartoe strekkende aanvraag kan indienen. Tot slot heeft verweerder geconcludeerd dat eiser niet als familielid van zijn echtgenote op grond van de RTB kan worden aangemerkt, nu de relatie niet in Oekraïne al bestond maar pas in Nederland is ontstaan. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het terugkeerbesluit van 5 augustus 2025.

Wat vindt eiser in beroep?

4. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning onder de beperking ‘Arbeid in loondienst’. Eiser heeft rechtmatig verbleven in Nederland op grond van de RTB en dit verblijfsrecht is tijdelijk, maar niet onomstreden. Eiser heeft arbeid verricht op grond van een tijdelijk verblijfsrecht. De beëindigingsdatum van dit verblijfsrecht was bekend, was gedurende deze periode niet omstreden en kon niet achteraf worden ingetrokken. Verweerder heeft ten onrechte geconcludeerd dat het verblijfsrecht op grond van de RTB procedureel van aard zou zijn. Eiser heeft op grond van de RTB onomstreden rechtmatig verblijf in Nederland, toegang tot de arbeidsmarkt en recht op opvang. Hiermee voldoet hij aan de vereisten van artikel 6 van Besluit 1/80. Tot slot is eiser ten onrechte niet gehoord. Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit onzorgvuldig en ondeugdelijk gemotiveerd tot stand gekomen.

Ook is eiser het niet eens met de oplegging van het terugkeerbesluit. Ten eerste handhaaft eiser hetgeen in de zienswijze naar voren is gebracht. Ten tweede gaat verweerder ten onrechte voorbij aan het feit dat eiser rechten ontleent aan Besluit 1/80. Eiser heeft rechtmatig in Nederland verbleven en arbeid verricht, waardoor hij voldoet aan de vereisten van artikel 6 van Besluit 1/80. In dit kader voert eiser aan dat hij een declaratoir verblijfsrecht heeft en geen procedureel verblijfsrecht zoals verweerder in het bestreden besluit stelt. Ten derde is verweerder ten onrechte voorbij gegaan aan het feit dat eiser een dienstweigeraar is, terwijl verweerder dit had moeten betrekken bij de vraag of er sprake is van schending van het non-refoulementbeginsel. Tot slot heeft verweerder ten onrechte geen waarde gehecht aan het huwelijk tussen eiser en mevrouw [naam] .

Wat is het oordeel van de rechtbank?

Het beroep tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning onder de beperking ‘Arbeid in loondienst’ (NL24.48186)

5. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Niet in geschil is dat eiser langer dan één jaar bij dezelfde werkgever heeft gewerkt. Partijen zijn het er niet over eens of deze arbeid als legale arbeid in de zin van artikel 6 van Besluit 1/80 kan worden aangemerkt.

Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie veronderstelt het begrip “legale arbeid”, bedoeld in artikel 6 van Besluit 1/80, een niet-tijdelijke en stabiele situatie op de arbeidsmarkt van een lidstaat en, daarmee, het bestaan van een niet omstreden verblijfsrecht. De betrokkene mag zich niet in een precaire situatie bevinden die op elk moment ter discussie kan worden gesteld. Of van een dergelijke situatie sprake is, vergt een beoordeling van de verblijfsrechtelijke situatie van de betreffende vreemdeling. Volgens IND-werkinstructie 2023/1 is sprake van een onomstreden verblijfsrecht in Nederland wanneer de Turkse onderdaan een geldige nationale verblijfsvergunning of een declaratoir verblijfsrecht hier heeft.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser zich niet in niet-voorlopige en stabiele situatie op de arbeidsmarkt bevindt, zodat geen sprake is van een onomstreden verblijfsrecht. Dit oordeel licht de rechtbank hierna toe.

Zoals vermeld in overweging 13 van de preambule van de RTB, heeft het bij die richtlijn ingevoerde mechanisme van tijdelijke bescherming een uitzonderlijk karakter, wat inhoudt dat de aangeboden bescherming van beperkte duur dient te zijn. Eiser, een Turkse onderdaan, valt onder de facultatieve bepaling van de Richtlijn, die lidstaten beoordelingsruimte biedt om zelf te bepalen of en voor wie, op welk tijdstip en voor welke duur zij deze bescherming toepassen. Dit verblijfsrecht is dus in zijn aard tijdelijk en niet definitief. De wijze waarop in Nederland toepassing is gegeven aan deze facultatieve bepaling laat dit ook zien. Er is namelijk meerdere keren sprake geweest van voorgenomen beëindigingen, tijdelijke verlengingen en het afwachten van rechterlijke uitspraken, waardoor voortdurend onzekerheid bestond over de verblijfsstatus van eiser onder deze Richtlijn. De rechtbank is gelet op deze feiten van oordeel dat van een niet-tijdelijk en stabiel verblijfsrecht geen sprake was.

De rechtbank wijst daarnaast op het doel van tijdelijk bescherming. Tijdelijke bescherming is primair een instrument voor lidstaten om bij massale instroom de asielstelsels te ontlasten en is geen derde beschermingsvorm naast een vluchtelingenstatus of subsidiaire bescherming. Met deze regeling wordt ter voorkoming van verstopping van het asielstelsel aan ontheemden onmiddellijke en tijdelijke bescherming geboden, zonder dat dus een inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag plaatsvindt. Omdat de beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming nog niet heeft plaatsgevonden kan de toegekende tijdelijke bescherming worden aangemerkt als een procedureel verblijfsrecht. Eisers beroepsgrond dat hij een declaratoir verblijfsrecht had, slaagt gelet op het voorgaande niet. Naar het oordeel van de rechtbank volgt dit niet uit de RTB. Het recht op tijdelijke bescherming gaf aan eiser een procedureel verblijfsrecht en niet een volwaardig verblijfsrecht. De minister had dan ook de beoordelingsruimte om het recht op tijdelijke bescherming op elk moment te beëindigen.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat eiser zich niet in een stabiele en niet-tijdelijk situatie op de arbeidsmarkt bevindt, zodat geen sprake is geweest van een onomstreden verblijfsrecht. Dat betekent dat eiser niet voldoet aan de voorwaarde in artikel 6 van Besluit 1/80 dat sprake moet zijn van legale arbeid. Van strijdigheid met het zorgvuldigheidsbeginsel of het motiveringsbeginsel is de rechtbank niet gebleken.

Hoorplicht

6. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiser niet had hoeven horen. Verweerder mag slechts van het horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. Gelet op de motivering van het besluit en op hetgeen door eiser is aangevoerd in de bezwaarfase, heeft verweerder kunnen vaststellen dat er redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar ongegrond was. Ook heeft de gemachtigde van eiser in bezwaar niet verduidelijkt wat eiser bij een eventueel nader gehoor nog had willen toelichten of had willen toevoegen over de rechtsvraag die beantwoord moest worden. Verweerder heeft daarom van het horen in de bezwaarfase mogen afzien.

Het beroep tegen het terugkeerbesluit (NL25.41667)

7. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Herhaald en ingelast

8. Eiser heeft verzocht alles wat in de zienswijze is ingebracht als herhaald en ingelast te beschouwen. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eerder in de procedure is aangedragen kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding om het besluit te vernietigen en gaat zij hierna in op de in beroep aangevoerde gronden.

Het terugkeerbesluit van 5 augustus 2025

9. Uit de uitspraken van de Afdeling en het arrest Kaduna en Abkez volgt dat verweerder geen terugkeerbesluit kan opleggen wanneer een vreemdeling (nog) rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Dat geldt ook voor de situatie waarin een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van facultatieve tijdelijke bescherming. Verweerder heeft per 4 maart 2024 de facultatieve tijdelijke bescherming van eiser beëindigt. De hoogste bestuursrechter heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 geoordeeld dat verweerder de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders die een tijdelijke verblijfsvergunning hadden in Oekraïne mocht beëindigen op 4 maart 2024. In die uitspraken heeft de Afdeling ook geoordeeld dat de minister geen toezeggingen heeft gedaan waaruit derdelanders mochten afleiden dat hun tijdelijke bescherming net zo lang zou duren als de verplichte tijdelijke bescherming. De rechtbank stelt met verweerder vast dat eiser geen rechtmatig verblijf had op 4 juni 2025 en verweerder om die reden bevoegd en verplicht is om een terugkeerbesluit op te leggen.

10. Eiser heeft gedurende de beroepsprocedure tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsrecht onder de beperking ‘Arbeid in loondienst’ procedureel rechtmatig verblijf, maar dit laat onverlet dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf in Nederland. De tijdelijke bescherming is immers van rechtswege geëindigd en zoals is overwogen onder rechtsoverweging 5, heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een verblijfsrecht onder de beperking ‘Arbeid in loondienst’ op goede gronden afgewezen. Verweerder is daarom bevoegd en verplicht om een terugkeerbesluit op te leggen. Eisers beroepsgrond – dat verweerder geen terugkeerbesluit aan eiser kan opleggen zolang de rechtbank niet op zijn beroep heeft beslist – slaagt gelet op het voorgaande niet.

11. Ten aanzien van eisers beroepsgrond dat verweerder bij het opleggen van het terugkeerbesluit ten onrechte geen waarde heeft toegekend aan zijn huwelijk, heeft eiser ter zitting verduidelijkt dat het huwelijk is verbroken en deze beroepsgrond laten vallen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om deze beroepsgrond te bespreken.

Artikel 3 van het EVRM

12. Tot slot is de rechtbank ten aanzien van het beginsel van non-refoulement ambtshalve van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar Turkije een reëel risico loopt te worden onderworpen aan de doodstraf, folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen. In de beroepsgronden heeft eiser aangevoerd dat hij dienstweigeraar is en om die reden niet kan terugkeren. Hierover overweegt de rechtbank dat uit het door eiser aangevoerde niet aanstonds en zonder diepgaand onderzoek onmiskenbaar blijkt dat sprake is van een risico op refoulement bij terugkeer naar Turkije.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 11 november 2024 in de procedure met zaaknummer NL24.48186, is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘Arbeid in loondienst’ op goede gronden heeft afgewezen.

14. Het verzoek om een voorlopige voorziening in de procedure met zaaknummer NL25.28899 wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.

15. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 5 augustus 2025 in de procedure met zaaknummer NL25.41667, is ongegrond. Dat betekent dat verweerder het terugkeerbesluit van 5 augustus terecht heeft opgelegd.

16. Het verzoek om een voorlopige voorziening in de procedure met zaaknummer NL25.41669 wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.

17. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

NL24.48186

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

NL25.28899 De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

NL25.41667

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

NL25.41669

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. P.P. Schaap, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?