[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. W.N. van der Voet),
en
de minister van Asiel en Migratie , verweerder
(gemachtigde: mr. D. Gigengack).
Inleiding
Waar gaat deze zaak over?
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1998 en heeft de Algerijnse nationaliteit. Eiser had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (hierna: RTB) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit.
Op 24 augustus 2023 heeft verweerder aanvankelijk aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB van rechtswege eindigde per 4 september 2023. Met hetzelfde besluit heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, wat bij de rechtbank geregistreerd is met zaaknummer NL23.30042. Verweerder heeft vervolgens het besluit van 24 augustus 2023 ingetrokken en op 7 februari 2024 een nieuw terugkeerbesluit genomen onder de mededeling dat eisers verblijfsrecht op grond van de RTB van rechtswege eindigt per 4 maart 2024, nu niet langer facultatieve tijdelijke bescherming wordt verleend aan vreemdelingen die een tijdelijk verblijfsrecht hadden in Oekraïne. Eiser heeft hierop zijn oorspronkelijke beroep tegen het besluit van 24 augustus 2023 gehandhaafd onder verwijzing naar artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) tegen het nieuw genomen besluit van 7 februari 2024.
Verweerder heeft het besluit van 7 februari 2024 later ook ingetrokken en op 17 juli 2025 een nieuw terugkeerbesluit genomen en bepaald dat eiser binnen vier weken na uitspraak op dit beroep Nederland dient te verlaten.
Het beroep van eiser heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege betrekking op dit nieuw genomen besluit. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen dit aan hem op 17 juli 2025 opgelegde terugkeerbesluit.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Partijen hebben schriftelijk toestemming verleend om de zaak buiten zitting af te doen. De rechtbank doet daarom uitspraak buiten zitting met toepassing van artikel 8:57 van de Awb.
Beoordeling door de rechtbank
Wat vindt eiser in beroep?
2. Eiser voert ten aanzien van de ingetrokken besluiten van 24 augustus 2023 en 7 februari 2024 aan dat de hem verleende tijdelijke bescherming ten onrechte is beëindigd en dat verweerder ten onrechte een terugkeerbesluit heeft opgelegd. Ten aanzien van het ingetrokken besluit van 7 februari 2024 voert eiser aan dat verweerder de beëindiging van de tijdelijke bescherming van eiser heeft gebaseerd op de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024, maar dat daarin het Uitvoeringsbesluit (EU) 2023/2409 van de Raad van de Europese Unie van 19 oktober 2023 op verkeerde wijze is uitgelegd. Eiser verwijst daarbij naar het artikel ‘Een onrechtmatig cadeautje voor de staatssecretaris’ van mr. dr. Grütters. Verder heeft eiser geen nadere gronden gericht tegen het terugkeerbesluit van 17 juli 2025. Eiser verzoekt de rechtbank enkel om verweerder te veroordelen in de proceskosten van het beroep.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Het beroep tegen de ingetrokken besluiten
3. Eiser heeft aanvankelijk beroep ingesteld tegen het besluit van 24 augustus 2023, welk besluit later door verweerder is ingetrokken. Naar het oordeel van de rechtbank kan het besluit van 7 februari 2024 worden beschouwd als nader besluit zoals bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb omdat voldoende sprake is van samenhang tussen de twee terugkeerbesluiten. Het beroep van eiser ziet daarom ook op het besluit van 7 februari 2024 en ingevolge artikel 6:19 van de Awb op het besluit van 17 juli 2025. Nu verweerder de besluiten van 24 augustus 2023 en 7 februari 2024 heeft ingetrokken, heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van deze besluiten. De rechtbank zal het beroep tegen deze besluiten daarom niet-ontvankelijk verklaren. Eiser heeft wel recht op een vergoeding van de proceskosten. De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 7.
Rechtmatig verblijf en het terugkeerbesluit van 17 juli 2025
De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder de aan hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming niet heeft kunnen beëindigen per 4 maart 2024. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025, onder verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 17 januari 2024, geoordeeld dat verweerder de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders die een tijdelijke verblijfsvergunning hadden in Oekraïne mocht beëindigen op 4 maart 2024. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen, ook niet in de enkele verwijzing naar het artikel van mr. dr. Grütters.
Uit de uitspraken van de Afdeling en het arrest Kaduna en Abkez volgt dat verweerder geen terugkeerbesluit kan opleggen wanneer een vreemdeling (nog) rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Dat geldt ook voor de situatie waarin een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van facultatieve tijdelijke bescherming. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf had op 17 juli 2025 en verweerder daarom bevoegd en verplicht is om een terugkeerbesluit op te leggen.
Ten slotte overweegt de rechtbank ambtshalve dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken van gronden om aan te nemen dat eiser een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM bij terugkeer naar Algerije.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
4. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 24 augustus 2023 is niet-ontvankelijk.
5. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 7 februari 2024 is niet-ontvankelijk.
6. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 17 juli 2025 is ongegrond. Dat betekent dat verweerder het terugkeerbesluit van 17 juli 2025 terecht heeft opgelegd.
7. Nu verweerder de eerdere besluiten waartegen eiser beroep had ingesteld, heeft ingetrokken, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in het vergoeden van de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.814,-.
De rechtbank
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. P.P. Schaap, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.