[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. W.N. van der Voet),
en
de Minister van Asiel en Migratie , verweerder
(gemachtigde: mr. D. Gigengack).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het aan hem opgelegde terugkeerbesluit.
Verweerder heeft met het besluit van 22 juli 2025 aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en bepaald dat hij binnen vier weken na uitspraak op dit beroep Nederland dient te verlaten.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Partijen hebben toestemming verleend om de zaak buiten zitting af te doen. De rechtbank doet daarom uitspraak buiten zitting met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1988 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Eiser had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (hierna: RTB) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit.
Op 23 augustus 2023 heeft verweerder aanvankelijk aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB van rechtswege eindigt per 4 september 2023. Met hetzelfde besluit heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Verweerder heeft in de brief van 29 januari 2024 onder andere aan eiser medegedeeld dat het besluit van 23 augustus 2023 is ingetrokken en dat het recht van eiser op tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 eindigt. Eiser heeft op 26 februari 2024 beroep ingesteld tegen de brief van 29 januari 2024. Dit beroep is geregistreerd met zaaknummer NL24.7395.
Op 22 juli 2025 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2024 is geëindigd en op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Daarnaast heeft verweerder aan eiser een nieuw terugkeerbesluit opgelegd.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser voert aan dat de hem verleende tijdelijke bescherming ten onrechte is beëindigd en dat verweerder ten onrechte een terugkeerbesluit heeft opgelegd. Verweerder heeft de beëindiging van de tijdelijke bescherming van eiser gebaseerd op de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 17 januari 2024, waarin het Uitvoeringsbesluit (EU) 2023/2409 van de Raad van de Europese Unie van 19 oktober 2023 op verkeerde wijze is uitgelegd. Eiser verwijst daarbij naar het artikel ‘Een onrechtmatig cadeautje voor de staatssecretaris’ van mr. dr. Grütters. Verder heeft eiser geen nadere gronden gericht tegen het terugkeerbesluit van 17 juli 2025. Eiser verzoekt de rechtbank enkel om verweerder te veroordelen in de proceskosten van het beroep.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Ontvankelijkheid
4. Ten aanzien van het beroep tegen de brief van 29 januari 2024 is de rechtbank van oordeel dat van appellabele feitelijke handelingen van verweerder tegen eiser, als bedoeld in artikel 72, derde lid van de Vw, niet is gebleken. Voor zover eiser stelt dat de brief van verweerder van 29 januari 2024 als zodanig dient te worden aangemerkt, volgt de rechtbank dit niet. Met deze brief heeft verweerder eiser destijds medegedeeld dat het recht van eiser op tijdelijke bescherming eindigt op 4 maart 2024 en het terugkeerbesluit van 23 augustus 2023 wordt ingetrokken, maar heeft voor eiser geen rechtsgevolg gecreëerd. Deze brief is dus geen besluit. De rechtbank zal het beroep tegen de brief van 29 januari 2024 daarom niet-ontvankelijk verklaren.
De rechtbank beschouwt het terugkeerbesluit van 22 juli 2025 als vervangend besluit van het terugkeerbesluit van 23 augustus 2023 in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal het beroep tegen het terugkeerbesluit van 22 juli 2025 op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb inhoudelijk beoordelen.
Rechtmatig verblijf en het terugkeerbesluit
5. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder de aan hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming niet heeft kunnen beëindigen per 4 maart 2024. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025, onder verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 17 januari 2024, geoordeeld dat verweerder de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders die een tijdelijke verblijfsvergunning hadden in Oekraïne mocht beëindigen op 4 maart 2024. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen, ook niet in de enkele verwijzing naar het artikel van mr. dr. Grütters.
6. Uit de uitspraak van de Afdeling en het arrest Kaduna en Abkez volgt dat verweerder geen terugkeerbesluit kan opleggen wanneer een vreemdeling (nog) rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Dat geldt ook voor de situatie waarin een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van facultatieve tijdelijke bescherming. De rechtbank stelt echter vast dat eiser geen rechtmatig verblijf had op 22 juli 2025 en verweerder daarom bevoegd en verplicht was om een terugkeerbesluit op te leggen.
7. Ten slotte overweegt de rechtbank ambtshalve dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken van gronden om aan te nemen dat eiser een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Nigeria.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep tegen de brief van 29 januari 2024 is niet-ontvankelijk.
9. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 22 juli 2025, is ongegrond. Dat betekent dat verweerder het terugkeerbesluit van 22 juli 2025 terecht heeft opgelegd.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart:
- het beroep gericht tegen de brief van 29 januari 2024 niet-ontvankelijk;
- het beroep gericht tegen het besluit van 22 juli 2025 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. P.P. Schaap, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.