RECHTBANK DEN HAAG
[eiseres] , eiseres
het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa), verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: AWB 25/17203 en 25/17204
[V-Nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening van 12 november 2025 in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. T. de Boer),
en
(gemachtigde: mr. R. van Bel).
Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de opvang van eiseres in een opvanglocatie van verweerder. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij heeft beroep ingesteld tegen die beslissing en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Die voorziening moet ervoor zorgen dat zij weer tot de opvang wordt toegelaten, dat zij haar verstrekkingen terugkrijgt en dat de ontkoppeling ongedaan wordt gemaakt, wat inhoudt dat ze weer teruggeplaatst wordt op de wachtlijst voor een woning en weer wordt gekoppeld aan een inburgeringscoach.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de opvang van eiseres ten onrechte heeft beëindigd. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiseres, is voor het treffen van een voorlopige voorziening geen reden meer. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt dus afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1990 en heeft de Syrische nationaliteit. Eiseres heeft sinds 10 maart 2023 een verblijfsstatus asiel voor bepaalde tijd en verbleef sinds
14 maart 2023 in opvanglocaties van verweerder.
Op 22 april 2025 heeft verweerder de opvang van eiseres beëindigd, omdat eiseres zich niet heeft gehouden aan de meldplicht. Verweerder heeft eiseres dit per e-mail laten weten.
Eiseres heeft op dezelfde dag, 22 april 2025, per e-mail gereageerd op de e-mail van verweerder. Zij heeft verweerder verzocht het besluit te heroverwegen en haar opnieuw op te nemen in de opvang. Verweerder heeft daarop gereageerd dat de uitschrijving blijft staan. Eiseres is daarna vier keer naar de COa-locatie gegaan om te vragen of ze terug mocht keren. Dit is haar steeds geweigerd. Op 22 mei 2025 heeft zij opnieuw een e-mail gestuurd naar verweerder en verzocht om heroverweging. Op 20 juni 2025 heeft verweerder gereageerd en eiseres laten weten dat zij het beste met haar verhaal naar een advocaat kan gaan. Eiseres heeft daarna een advocaat gezocht en uiteindelijk haar huidige gemachtigde gevonden.
De gemachtigde van eiseres heeft op 30 augustus 2025 beroep ingesteld bij de rechtbank. Hij heeft ook de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het verzoek en het beroep op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, Van Driessen als tolk in de Arabische taal, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Is sprake van een besluit?
Tussen partijen is allereerst in geschil of de e-mail van verweerder van 22 april 2025 kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de e-mail geen besluit is. Volgens verweerder volgt uit artikel 45, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 12 van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva) dat de beëindiging van de verstrekkingen geen besluit of daaraan gelijkgestelde handeling inhoudt, maar een tenuitvoerlegging is van een al ingetreden rechtsgevolg.
Verweerder stelt dat het recht op opvang van rechtswege is geëindigd, omdat eiseres geen instemming heeft verzocht of verkregen voor het ontvangen van de verstrekkingen. Daardoor kan niet worden gesproken van een besluit, dan wel een daaraan gelijkgestelde handeling. Verweerder verwijst ter onderbouwing daarvan naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 22 maart 2018.
De rechtbank overweegt dat dit standpunt van verweerder noch uit de van toepassing zijnde regelgeving noch uit de rechtspraak van de Afdeling volgt. In de bijlage is de regelgeving opgenomen. Vaststaat dat eiseres statushouder is en dat zij geen beschikking heeft over een eigen woonruimte. Uit het eerste lid van artikel 12 van de Rva volgt dat de vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning is verleend en die in afwachting is van het betrekken van een woonruimte in een gemeente de verstrekkingen krijgt aangeboden als het orgaan hiermee heeft ingestemd. Uit het tweede lid volgt dat de vreemdeling zich iedere twee weken bij het orgaan zal moeten melden en instemming moet hebben verkregen. In de toelichting bij de Rva staat dat dit artikel beoogt te voorkomen dat de vreemdeling die een verblijfsvergunning heeft gekregen en die op eigen initiatief een woonruimte vindt, uit de opvangvoorziening vertrekt zonder het orgaan hiervan in kennis te stellen en daardoor toch een financiële bijdrage blijft ontvangen. De rechtbank stelt vast dat een situatie als deze zich in het geval van eiseres niet voordoet. De rechtbank volgt verweerder dan ook niet in de verwijzing naar artikel 12 van de Rva.
De rechtbank volgt evenmin de conclusie die verweerder uit de uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2018 heeft getrokken. De Afdeling overwoog dat een besluit - waarbij aan een vreemdeling een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend - de beëindiging van de verstrekkingen van rechtswege tot gevolg heeft. De Afdeling overwoog voorts dat dat rechtsgevolg intreedt op de dag waarop naar het oordeel van het COa passende huisvesting buiten de opvangvoorziening kan worden gerealiseerd. De Afdeling baseerde dit oordeel op artikel 44, eerste lid, van de Vw gelezen in verbinding met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rva. De situatie van eiseres verschilt wezenlijk van de situatie waarop de aangehaalde uitspraak betrekking op heeft. Voor haar is immers nog geen passende huisvesting beschikbaar. Dit betekent dus dat het rechtsgevolg – de beëindiging van de opvang van rechtswege – nog niet was ingetreden op 22 april 2025.
De rechtbank is van oordeel dat de e-mail van 22 april 2025 moet worden aangemerkt als een handeling van verweerder, die op grond van artikel 5, tweede lid, van de Wet COa met een besluit gelijk moet worden gesteld. In afwijking van artikel 72, derde lid, van de Vw staat hiertegen geen bezwaar, maar enkel beroep open. Dat brengt mee dat de rechtbank bevoegd is om over het onderhavige beroep een oordeel te geven.
Is het beroep tijdig ingediend?
De rechtbank overweegt dat eiseres verweerder met een e-mail van 22 april 2025 heeft laten weten het niet eens te zijn met de beslissing en dat eiseres een aantal keer is langsgegaan op de COa-locatie om persoonlijk om een heroverweging te vragen. De rechtbank is van oordeel dat deze email van eiseres is aan te merken als beroepschrift. Dit betekent dus dat eiseres tijdig beroep heeft ingesteld. Verweerder had dit beroepschrift op grond van artikel 6:15 van de Awb naar de rechtbank moeten sturen.
Heeft verweerder de opvang mogen beëindigen?
De rechtbank beoordeelt vervolgens of verweerder de opvang heeft mogen beëindigen. De rechtbank stelt daartoe allereerst vast dat sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 10 van de Rva. Daaruit volgt dat de verstrekkingen geheel of gedeeltelijk kunnen worden onthouden als de vreemdeling zich niet wekelijks meldt bij verweerder. Uit de toelichting bij de Rva volgt verder dat de vraag of, en zo ja in welke mate de verstrekkingen kunnen worden beëindigd op grond van artikel 10 van de Rva, afhangt van concrete omstandigheden. Hierbij moeten het evenredigheidsbeginsel en de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit in acht worden genomen. Meer concreet brengt dit mee dat bezien moet worden of de beëindiging in verhouding staat tot de betrokken gedraging of het nalaten van de betrokken bewoner. Verweerder moet nagaan of in alle redelijkheid de gedraging zodanig ernstig is wat betreft de aard en omvang dat dit de gehele of gedeeltelijke onthouding rechtvaardigt. De zwaarte van de maatregel moet daarnaast eveneens in overeenstemming zijn met het karakter en de ernst van de gedraging. Bezien moet worden of geen andere, tot minder zware gevolgen leidende maatregel dan de gehele of gedeeltelijke beëindiging van de verstrekkingen mogelijk of meer passend is. De belangen van de betrokken vreemdeling moeten tot slot bij de beslissing óf een maatregel wordt opgelegd, en zo ja welke, worden meegewogen.
De rechtbank ziet in het bestreden besluit niet terug dat verweerder heeft gekeken naar de evenredigheid, proportionaliteit, subsidiariteit van de beëindiging van de opvang en ziet ook niet terug dat verweerder de belangen van eiseres heeft meegewogen. Gelet op de toelichting bij artikel 10 van de Rva had verweerder dat wel moeten doen. Alleen daarom al is het beroep van eiseres gegrond.
De rechtbank zal hierna nagaan of de beëindiging van de opvang in het concrete geval van eiseres evenredig, proportioneel en subsidiair is geweest en zal de belangen van eiseres daarbij meewegen. Deze vragen hangen nauw samen met het feitenverloop. De rechtbank loopt deze feiten, zoals geschetst door eiseres en verweerder, daarom na.
Eiseres is mensenrechtenactivist. Vanwege haar bekendheid als mensenrechtenactivist voelde zij zich niet veilig in de opvang, waar veel Syriërs verbleven die haar kennen en vragen stelden die zij niet wilde beantwoorden. Daardoor bleef eiseres enkel in de opvang op de momenten dat zij anders op straat zou moeten slapen. Eiseres heeft daardoor meermaals haar meldplicht gemist. Het verzuim is toegenomen in de maanden voorafgaand aan de uitschrijving, waarin eiseres zesmaal ongeoorloofd heeft verzuimd en daarvoor meerdere waarschuwingen heeft gekregen en ROV-maatregelen heeft ontvangen. Eiseres heeft driemaal geoorloofd verzuimd. Op 22 april 2025 is haar recht op opvang beëindigd door verweerder. Eiseres was toen op een conferentie in New York voor haar werk als mensenrechtenactivist. Door vertraging bij de terugreis kwam zij te laat voor de tweede meldplicht. Eiseres heeft toen gebeld met verweerder om duidelijk te maken dat ze weer in Nederland was. Zij werd toen gewezen op de mogelijkheid om zich telefonisch te melden. Dit heeft eiseres gedaan, maar dit werd door verweerder niet geaccepteerd.
De rechtbank betrekt allereerst in haar oordeelsvorming dat er weinig opvangplekken zijn en dat dit kan meebrengen dat verweerder erop toeziet dat opvangplekken niet onnodig leegstaan. De rechtbank is echter van oordeel dat, in het concrete geval van eiseres, de beëindiging van de opvang niet evenredig en proportioneel is geweest en dat haar belangen onvoldoende zijn meegewogen. De rechtbank ziet in het dossier dat, hoewel eiseres een historie heeft van het missen van de meldplicht, verweerder aan eiseres geen laatste waarschuwing heeft gegeven voordat de opvang werd beëindigd. Nu verweerder dat niet heeft gedaan, is de beëindiging niet evenredig geweest. De rechtbank vindt verder dat het nalaten van eiseres niet in verhouding staat met de beëindiging. Eiseres heeft de vertraging bij haar terugreis vanuit New York gemeld aan verweerder. Verweerder houdt zich er strikt aan vast dat verweerder daarvoor geen instemming heeft gegeven. Echter, gelet op de omstandigheid dat eiseres verweerder steeds op de hoogte heeft gehouden van haar situatie, vindt de rechtbank de beëindiging door verweerder niet proportioneel.
Eiseres heeft verder een verklaring overgelegd van het Centrum van Verloskunde Echografie en Preconceptiezorg van 27 oktober 2025, waaruit blijkt dat eiseres (in ieder geval op het moment van de zitting) zwanger is. Hoewel dit op het moment van beëindiging van de opvang (zo begrijpt de rechtbank) nog niet het geval was, is de rechtbank van oordeel dat dit wel een omstandigheid is die in het bijzonder moet worden meegewogen.
Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het besluit van 22 april 2025 geen stand kan houden. De rechtbank herroept daarom dat besluit en bepaalt dat verweerder eiseres weer moet toelaten tot de opvang.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en dat verweerder de opvang van eiseres niet had kunnen beëindigen. Verweerder dient er per direct voor zorg te dragen dat eiseres per direct haar recht op opvang en verstrekkingen terugkrijgt. Verweerder dient dus eiseres een opvangplek aan te bieden. Verweerder moet er ook zorg voor dragen dat de ‘ontkoppeling’ van eiseres ongedaan wordt gemaakt, wat inhoudt dat zij weer wordt teruggeplaatst op de wachtlijst voor een woning en dat zij weer haar inburgeringstraject kan voortzetten.
Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiseres, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen reden meer. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af.
Eiseres krijgt een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift, tevens verzoekschrift, heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.G.A Karregat, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
Bijlage
Vreemdelingenwet 2000
Artikel 44
1.Verlening van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, die rechtmatig verblijf inhoudt, heeft van rechtswege tot gevolg de beëindiging van de verstrekkingen voorzien bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers of een ander wettelijk voorschrift dat soortgelijke verstrekkingen regelt. De verstrekkingen worden beëindigd op de wijze voorzien bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers of in het andere wettelijk voorschrift en binnen de daartoe gestelde termijn.
Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva)
Artikel 3 1 Het COA draagt zorg voor de centrale opvang van asielzoekers door erin te voorzien dat hen opvang wordt geboden in een opvangvoorziening.
2 Tot de in het eerste lid bedoelde categorieën asielzoekers aan wie opvang wordt geboden behoren:
c. de vreemdeling aan wie de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 of 28 van de Vreemdelingenwet 2000, is verleend en die, met inachtneming van artikel 12, reeds in de centrale opvang verblijft, dan wel verblijft in de handhavings- en toezichtlocatie in afwachting van het betrekken van woonruimte in een gemeente;
Artikel 7
1. Het recht op opvang eindigt in de volgende gevallen:
a. indien het een asielzoeker betreft aan wie een verblijfsvergunning is verleend: op de dag waarop naar het oordeel van het COA passende huisvesting buiten de opvangvoorziening kan worden gerealiseerd;
Artikel 10
1. Het COA kan de in artikel 9, eerste lid, bedoelde verstrekkingen beperken of, in uitzonderlijke gevallen intrekken indien de asielzoeker:
a. de door het COA vastgestelde opvangvoorziening heeft verlaten zonder het COA op de hoogte stellen of, indien toestemming vereist is, zonder toestemming;
b. gedurende twee weken niet heeft voldaan aan de verplichting, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onder e, dan wel gedurende twee opeenvolgende keren niet heeft voldaan aan de verplichting bedoeld in artikel 19, tweede lid;
Artikel 12
1. De asielzoeker aan wie een verblijfsvergunning is verleend en die in afwachting is van het betrekken van woonruimte in een gemeente krijgt de verstrekkingen, bedoeld in artikel 9 eerste lid van deze regeling, aangeboden indien het COA hiermee heeft ingestemd.
2 De asielzoeker, bedoeld in het eerste lid, zal zich iedere twee weken bij het COA moeten melden en de instemming bedoeld in het eerste lid moeten hebben verkregen.
Artikel 19
1. Behoudens de uitzondering genoemd in lid 2 is de asielzoeker die onderdak heeft in een opvangvoorziening verplicht:
e. te voldoen aan de COA inhuisregistratie door zich wekelijks te melden bij het COA teneinde te kunnen vaststellen of hij nog in de opvangvoorziening verblijft en aanspraak maakt op opvangvoorzieningen;