RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [V-nummer 1], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.55314 en NL25.55316
[eiseres] , v-nummer: [V-nummer 2], eiseres,
mede ten behoeve van hun minderjarige kind:
[kind] , v-nummer: [V-nummer 3],
Hierna gezamenlijk te noemen eisers,
(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),
en
Procesverloop
Bij twee afzonderlijke besluiten van 10 november 2025 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen van eisers niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eisers hebben tegen de bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eisers zijn geboren op [datum 1] 1967 respectievelijk [datum 2] 1966 en [datum 3] 2009, en hebben allen de Russische nationaliteit.
2. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de asielaanvragen van eisers niet in behandeling genomen, omdat Kroatië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van hun verzoeken om internationale bescherming. Uit Eurodac en het overgelegde Duitse verblijfsdocument is gebleken dat eisers in Duitsland een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening de Duitse autoriteiten verzocht om eisers terug te nemen. De Duitse autoriteiten hebben het verzoek afgewezen, omdat de Kroatische autoriteiten verantwoordelijk zijn. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening de Kroatische autoriteiten verzocht om eisers terug te nemen. De Kroatische autoriteiten hebben de verzoeken op 19 augustus 2025 voor eiseres en haar minderjarige kind geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. Het verzoek van eiser is op 2 september 2025 geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening.
3. Eisers kunnen zich niet met de bestreden besluiten verenigen en voeren daartoe aan dat verweerder gebruik had moeten maken van zijn bevoegdheid zoals neergelegd in artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Zij wijzen in het bijzonder op de ernstige medische omstandigheden van eiseres, die kankerpatiënt is en in Nederland wordt behandeld. Onder verwijzing naar het C.K.-arrest menen zij dat artikel 4 van het Handvest niet alleen ziet op systeemfouten in de verantwoordelijke lidstaat, maar ook is geschonden als een ernstig zieke vreemdeling door de overdracht een reëel risico loopt op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van de gezondheidstoestand. Verweerder had iedere ernstige twijfel over de gevolgen van de overdracht voor de gezondheid van eiseres moeten wegnemen door een BMA-advies in te winnen. In dit verband wijzen eisers op de verwijzingsuitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 22 oktober 2025, waarin prejudiciële vragen zijn gesteld over de uitleg van onder meer artikel 4 en 47 van het Handvest en artikel 27 van de Dublinverordening in situaties waarin de gezondheidstoestand van de over te dragen vreemdeling in het geding is. Zij stellen dat de antwoorden van het Hof op deze vragen ook voor hen van betekenis zijn en verzoeken daarom de behandeling van het beroep aan te houden in afwachting daarvan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. In beginsel mag verweerder ten opzichte van Kroatië, dat evenals Nederland partij is bij het EVRM en het Vluchtelingenverdrag, uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is reeds bevestigd in de uitspraken van de Afdeling van 10 december 2024 en 20 augustus 2025. Het ligt op de weg van eisers om aannemelijk te maken dat in hun geval hier niet van kan worden uitgegaan. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers er niet in zijn geslaagd aannemelijk te maken dat de Kroatische autoriteiten hun verdragsverplichtingen jegens hen niet zullen nakomen en dat bij terugkeer een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Ook is niet gebleken van ernstige, structurele tekortkomingen in het asielsysteem of de opvangvoorzieningen.
5. Verder heeft verweerder in de door eisers gestelde omstandigheden evenmin reden hoeven zien om de verantwoordelijkheid aan zich te trekken. Het betreft geen bijzondere individuele omstandigheid die maakt dat overdracht aan Kroatië onevenredig moet worden geacht. Kroatië is immers gebonden aan de Opvangrichtlijn, waarin is vastgesteld dat asielzoekers in aanmerking komen voor medische noodzakelijke zorg. Eisers hebben geen aanknopingspunten naar voren gebracht waaruit blijkt dat dit in hun geval anders is. Eiseres heeft daarbij niet onderbouwd dat zij voor medische behandeling aan Nederland is gebonden dan wel dat Nederland het meest aangewezen land is voor de medische behandeling van eiseres. Dit klemt te meer nu eiseres in haar aanmeldgehoor heeft verklaard dat de medische hulp die zij in Kroatië heeft ontvangen goed verliep. Uit de door eisers overgelegde medische documenten blijkt niet dat overdracht van eiseres leidt tot een aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen van haar gezondheidstoestand. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid kunnen beslissen dat er geen aanleiding is om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
6. Verweerder heeft de asielaanvraag van eisers terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 26 november 2025 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.