RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56038
v-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. E. El-Sharkawi),
en
Procesverloop
Bij het besluit van 13 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser is geboren op [datum] 1997 en heeft de Turkse nationaliteit. Hij heeft op 28 juli 2025 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 14 juli 2025 illegaal via Kroatië het grondgebied van de lidstaten is ingereisd. Op diezelfde dag heeft eiser een verzoek om internationale bescherming ingediend in Kroatië. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening de Kroatische autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. De Kroatische autoriteiten hebben dit verzoek op 29 september 2025 geaccepteerd op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening.
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartegen aan dat Kroatië ten onrechte als verantwoordelijke lidstaat is aangemerkt. Eiser heeft namelijk geen asielaanvraag ingediend in Kroatië. Zijn vingerafdrukken zijn nonder dwang afgenomen en Kroatië was voor hem slechts een doorreisland. Verder voert eiser aan dat Kroatië de Opvangrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn en de Procedurerichtlijn niet naleeft. In dit verband wijst hij op het ontbreken van opvang en financiële voorzieningen, zijn verblijf in een container zonder basisvoorzieningen, het ontbreken van rechtsbijstand en informatie over de asielprocedure en zijn onrechtmatige detentie en onmenselijke behandeling. Eiser vreest bij overdracht opnieuw te zullen worden gedetineerd, mishandeld en zonder opvang op straat te komen staan, zodat sprake is van een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest. Volgens eiser mag daarom ten aanzien van Kroatië niet worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dient verweerder op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening zijn asielaanvraag zelf in behandeling te nemen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Kroatië is op grond van de Eurodac-verordening verplicht om illegale vreemdelingen die het grondgebied van de lidstaten binnenkomen te registreren. Voor zover eiser van mening is dat de Kroatische autoriteiten onrechtmatig hebben gehandeld, of hem verkeerd of onjuist hebben geïnformeerd over de gevolgen van het afgeven van vingerafdrukken, ligt het op zijn weg om hierover te klagen bij de Kroatische autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat klagen bij de (hogere) Kroatische autoriteiten voor hem onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.
5. Daarnaast hebben de Kroatische autoriteiten het terugnameverzoek op 29 september 2025 geaccepteerd op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening. Gelet hierop en de bevindingen uit Eurodac, is verweerder er terecht vanuit gegaan dat eiser een asielaanvraag heeft ingediend in Kroatië en Kroatië voor het verdere verloop van zijn asielprocedure verantwoordelijk is. Eiser heeft bovendien zijn stelling dat hij geen asiel heeft aangevraagd niet onderbouwd. Dat eiser geen asielaanvraag wilde indienen in Kroatië en dat Kroatië enkel een doorreisland was voor hem is niet relevant voor de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat voor zijn asielaanvraag.
6. In beginsel mag verweerder ten opzichte van Kroatië, dat evenals Nederland partij is bij het EVRM en het Vluchtelingenverdrag, uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is reeds bevestigd in de uitspraken van de Afdeling van 10 december 2024 en 20 augustus 2025. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval hier niet van kan worden uitgegaan. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de Kroatische autoriteiten hun verdragsverplichtingen jegens hem niet zullen nakomen en dat bij terugkeer een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Ook is niet gebleken van ernstige, structurele tekortkomingen in het asielsysteem of de opvangvoorzieningen.
7. Eisers verklaringen over zijn eerdere ervaringen in Kroatië, zien op een andere situatie dan waarin eiser nu zit. Eisers verklaringen gaan immers over de wijze waarop eiser bij eerste aankomst, een illegale inreis, in Kroatië is behandeld. Het gaat nu om een beoordeling van de situatie die eiser tijdens en na de overdracht te verwachten heeft. Eiser zal terugkeren als Dublinclaimant. Eiser heeft niet onderbouwd dat Dublinclaimanten, die gereguleerd worden overgedragen aan de Kroatische autoriteiten, na overdracht een risico lopen om in eenzelfde situatie terecht te komen als hij eerder in Kroatië heeft ondervonden. Bovendien hebben de Kroatische autoriteiten met de aanvaarding van het terugnameverzoek gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiser in behandeling zullen nemen met inachtneming van de Europese richtlijnen en internationale verdragen. Het is dan ook niet aannemelijk dat eiser in dezelfde situatie terecht zal komen als voorheen. Indien eiser in Kroatië toch wordt geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag, in de opvang of anderszins, kan hij hierover klagen bij de Kroatische (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen bij de Kroatische autoriteiten voor eiser niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is.
8. Verder heeft verweerder in de door eiser gestelde omstandigheden evenmin reden hoeven zien om de verantwoordelijkheid aan zich te trekken. Het betreffen geen bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Kroatië onevenredig moet worden geacht. Daarbij heeft verweerder ervan uit mogen gaan dat eisers eerdere ervaringen in Kroatië al betrokken zijn in de beoordeling op het punt van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en daarom niet nogmaals een rol kunnen spelen in het kader van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid kunnen beslissen dat er geen aanleiding is om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
9. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 26 november 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.