RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 november 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], [referent], referent
de minister van Buitenlandse Zaken
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.37055
(gemachtigde: mr. E. Maalsen),
en
(gemachtigde: mr. P. Boelhouwer).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een visum voor kort verblijf bij [referent] (echtgenote van eiser en referent). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het visum niet ten onrechte heeft afgewezen. In het verweerschrift laat de minister weliswaar de tegenwerping vallen dat eiser het doel en de omstandigheden van zijn reis onvoldoende zou hebben onderbouwd, maar dat maakt de uitkomst niet anders. De minister mocht het visum weigeren omdat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat hij economische en sociale binding met Marokko heeft. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij over voldoende middelen van bestaan beschikt. Verder hoefde de minister eiser niet te horen tijdens de bezwaarprocedure, omdat vooraf al duidelijk was dat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een visum voor kort verblijf bij referent. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 30 januari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 22 juli 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Daarnaast was [referent], referent en echtgenote van eiser, aanwezig op de zitting. Eiser was zelf niet aanwezig op de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Besluitvorming
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1995 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiser is gehuwd met referent en wil naar Nederland komen zodat hij referent in Nederland kan bezoeken. Hij heeft op 17 januari 2025 een aanvraag tot het verstrekken van een visum voor kort verblijf ingediend.
De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond door eiser. De visumaanvraag is verder afgewezen omdat de sociale en economische binding van eiser met zijn land van herkomst onvoldoende zijn aangetoond dan wel gering zijn gebleken. Verder heeft eiser niet aangetoond dat hij over voldoende middelen van bestaan beschikt voor de duur van zijn voorgenomen verblijf en terugreis. Gelet hierop is volgens de minister niet aannemelijk dat eiser (tijdig) het Schengengebied zal verlaten.
Doel en omstandigheden verblijf
4. De rechtbank stelt vast dat de minister eiser niet langer tegenwerpt dat hij het doel en de omstandigheden van het verblijf niet duidelijk heeft gemaakt. De door eiser in dit verband naar voren gebrachte beroepsgronden behoeven dan ook geen bespreking.
Mocht de minister concluderen dat eiser onvoldoende sociale en economische binding heeft met Marokko?
5. Eiser voert aan dat hij een sterke sociale en economische binding heeft met Marokko, die een tijdige terugkeer garandeert. Eiser en referent zijn in 2023 gehuwd. De vele reizen van referent naar Marokko en haar langdurige aanwezigheid aldaar, samen met het uitblijven van een visumaanvraag van eiser tot januari 2025, wijzen erop dat het gezinsleven zich nadien voornamelijk in Marokko afspeelt. Dat referent naar Marokko reist ondersteunt bovendien dat eiser niet makkelijk uit Marokko kan weggaan, vanwege zijn sociale verplichtingen. Hij moet namelijk voor zijn ouders zorgen. Die zijn op leeftijd en hebben diverse medische klachten, waardoor ze in het dagelijks leven op zijn steun zijn aangewezen. Eiser heeft in dit verband een verklaring van zijn ouders overgelegd en een verklaring van de arts over de aanwezige medische problematiek. Eiser heeft vanuit cultureel bepaald oogpunt de plicht om voor zijn ouders te zorgen. Indien de minister deze zorg betwist, had hij eiser moeten horen of aanvullende informatie moeten opvragen. Eiser voldoet momenteel niet aan de voorwaarden voor gezinshereniging in Nederland. Maar een aanvraag daartoe wordt overwogen als eiser niet langer de zorg heeft voor zijn ouders. Het is in die situatie ook in zijn belang om een overschrijding van de verblijfsduur op grond van het visum te voorkomen, aangezien dit toekomstige gezinshereniging negatief kan beïnvloeden.
Verder heeft eiser een sterke economische binding met Marokko. Hij werkt in de visserij en verricht aanvullende betaalde werkzaamheden, wat leidt tot een substantieel en regelmatig inkomen. Zijn werkgever verwacht zijn terugkeer zodra de boot kan uitvaren. De weersafhankelijkheid van het werk doet geen afbreuk aan de duurzaamheid van het inkomen. Het dienstverband wordt bevestigd in een werkgeversverklaring van 16 juli 2025.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van redelijke twijfel aan het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten. De rechtbank licht dat hieronder toe.
Sociale binding
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat eiser onvoldoende sociale binding met Marokko heeft aangetoond. In dit kader mocht de minister het volgende betrekken. Eiser is met referent getrouwd op 26 oktober 2023, zoals blijkt uit de overgelegde huwelijksakte. Referent verblijft op dit moment in Nederland. Eiser heeft geen kinderen en reist naar Nederland om referent te bezoeken. Daarmee ontbreekt een achterblijvend gezin waarvoor eiser verantwoordelijkheid draagt. Ook heeft eiser niet aangetoond dat zijn aanwezigheid in Marokko noodzakelijk is vanwege de zorg die hij aan zijn ouders verleent. In de eerste plaats heeft eiser die noodzakelijke ondersteuning niet voldoende objectief onderbouwd. Niet is met medische stukken aangetoond dat de ouders van eiser hulpbehoevend zijn en dagelijkse zorg nodig hebben. De overgelegde verklaring van zijn ouders, waaruit volgt dat eiser hen helpt bij huishoudelijke taken en medische afspraken, is hiertoe in ieder geval onvoldoende. Dat geldt ook voor het handgeschreven briefje van de arts waarop de medische klachten van de ouders worden beschreven. De ernst van de klachten noch het verband met daaruit voortvloeiende zorg kan uit het briefje worden afgeleid. Ten tweede volgt uit de in bezwaar ingediende vragenlijst dat twee (meerderjarige) broers van eiser in Marokko wonen, waarvan één nog thuis bij de ouders. Niet valt in te zien dat deze broer bij afwezigheid van eiser zijn ouders niet kan helpen in de dagelijkse huishouding en zorg. Dat de inwonende zoon studeert, betekent niet dat hij die zorg niet kan verlenen. Bovendien heeft eiser nog een andere broer die werkzaam is en in dezelfde plaats woont als de ouders. Ook hij kan zijn ouders ondersteunen. Verder is op de zitting naar voren gekomen dat andere familieleden (schoonzus) van eiser kunnen bijspringen in de situatie dat eiser in Nederland zit.
Gelet op het voorgaande is niet gebleken dat eiser verantwoordelijk is voor de zorg van andere naaste familieleden of dat hij maatschappelijke verplichtingen heeft die hem tot terugkeer zouden dwingen. Daarmee is de sociale binding van eiser met Marokko niet zodanig, dat zijn tijdige terugkeer is gewaarborgd.
Economische binding
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat eiser onvoldoende economische binding met Marokko heeft aangetoond. Eiser verklaart wisselend over zijn werkzaamheden. Bij de visumaanvraag heeft eiser verklaard dat hij werkloos is. Tegelijkertijd staat in de verklaring van zijn ouders dat eiser kostwinner is. Bovendien stelt referent in de in bezwaar overgelegde vragenlijst dat eiser sinds 2015 als visser werkt en een wisselend inkomen verdient. Ook de gemachtigde van eiser voert in de beroepsgronden aan dat eiser visser is en op een vissersboot werkt, waarbij hij contant wordt uitbetaald wanneer de boot uitvaart. Daarnaast zou eiser nog andere klusjes doen waarvoor hij eveneens contant betaald krijgt. Eiser heeft hiertoe een verklaring overgelegd van zijn oom, tevens zijn opdrachtgever. De minister heeft terecht opgemerkt dat de stellingen dat eiser werkzaam is als visser en hiervoor krijgt betaald onvoldoende is onderbouwd. De in bezwaar overgelegde verklaring van zijn oom verandert hier niets aan. In deze verklaring staat immers niets over de frequentie van het werk of de hoogte van het inkomen, en eiser heeft dit ook niet op een andere wijze onderbouwd. Welke andere werkzaamheden eiser zou verrichten wanneer de boot niet uitvaart, en welk inkomen hij daarmee zou genereren, is tot op heden evenmin met stukken aangetoond.
De minister heeft ook voldoende gemotiveerd dat eiser met de overgelegde bankafschriften zijn inkomsten niet aannemelijk heeft gemaakt. Uit die afschriften blijkt dat vlak voor de visumaanvraag drie hoge en onverklaarbare stortingen zijn gedaan: op 21 december 2024 een bedrag van 30.000 Marokkaanse dirham (MAD) (ongeveer € 2.853,23), op 4 januari 2025 een bedrag van 15.000 MAD (ongeveer € 1.426,61) en op 7 januari 2025 een bedrag van 10.000 MAD (ongeveer € 951,08). De herkomst hiervan is niet duidelijk en er is geen aanwijzing dat deze bedragen uit werk voortkomen. Daarmee is niet onderbouwd dat eiser een substantieel en regelmatig inkomen heeft. Voor zover eiser stelt dat het om schenkingen van familie gaat om hem en referent te helpen elkaar te bezoeken, heeft de minister dit niet hoeven volgen. Die bedragen zijn immers geen inkomsten uit arbeid en eiser heeft hierover zelf geen duidelijkheid verschaft, ondanks het vragenformulier in bezwaar. Verder heeft de minister mogen betrekken dat de bankafschriften weliswaar een periode tonen van januari 2024 tot januari 2025, maar dat pas vanaf eind november 2024 regelmatig transacties zichtbaar zijn. De minister concludeert daarom niet ten onrechte dat geen sprake is van economische binding en dat niet aannemelijk is dat eiser op die grond tijdig het Schengengebied zal verlaten.
Heeft de minister ten onrechte geconcludeerd dat eiser over onvoldoende middelen van bestaan beschikt?
6. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte heeft geconcludeerd dat eiser en referent hun financiële situatie onvoldoende hebben aangetoond. Volgens eiser is er geen sprake van hoge verblijfskosten, omdat referent een woning huurt, zij getrouwd zijn en hij tijdens het verblijf bij haar zal wonen. De kosten liggen daardoor aanzienlijk lager dan het gehanteerde richtbedrag van € 55 per dag per persoon. Verder had eiser op 12 januari 2025 een banksaldo van 143.835,01 MAD (ongeveer € 13.712,30), wat ruim boven het vereiste bedrag van € 4.840 ligt voor de gehele periode van verblijf. De minister heeft geen nadere vragen gesteld over de recente stortingen, wat volgens eiser wijst op onzorgvuldige besluitvorming. Deze stortingen zijn volgens eiser schenkingen van familieleden en vrij besteedbaar. Zelfs zonder deze schenkingen beschikt eiser over 88.835,01 MAD (ongeveer € 8.448,53), wat ruimschoots voldoet aan het richtbedrag.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft niet ten onrechte geconcludeerd dat eiser niet over voldoende middelen van bestaan beschikt. De aangetoonde financiële middelen zijn onvoldoende en niet is gebleken dat eiser vrij en zelfstandig kan beschikken over het vereiste richtbedrag van € 55 per dag per persoon. Voor een verblijf van 88 dagen moet eiser minimaal € 4.840 hebben. Er is geen reden waarom dit richtbedrag niet op hem van toepassing zou zijn. Dat eiser stelt met minder toe te kunnen, maakt dit niet anders.Uit de bankafschriften blijkt dat eiser op 12 januari 2025 een saldo had van 143.835,01 MAD (ongeveer € 13.712,30). Vlak voor de aanvraag zijn echter hoge bedragen gestort, waarvan niet is aangetoond dat deze afkomstig zijn uit zijn werkzaamheden als zelfstandige. (zie ook de eerdere overweging van de rechtbank onder 5.4). Daardoor staat niet vast dat eiser daadwerkelijk zelfstandig over het geld kan beschikken. Verder voldoet referent niet aan de voorwaarden om garant te staan, omdat haar inkomen bij V.H. Marketing B.V. onder de Wml-norm lag (€ 2.191,80 op het moment van de aanvraag). Hoewel in de vragenlijst is aangegeven dat een andere persoon garant kon staan, is daarvan geen gebruik gemaakt.
Mocht de minister afzien van het horen in bezwaar?
7. Eiser voert aan dat de minister hem had moeten horen in bezwaar, omdat het bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond is verklaard. De minister had beter moeten uitleggen waarom het bezwaar tegen de visumafwijzing werd afgewezen, vooral omdat er nieuw bewijs was ingediend. Dit nieuwe bewijs omvatte medische documenten van de ouders, een verklaring van de werkgever van eiser, een recente loonstrook van de referent, een verklaring van referent, trouwfoto’s, correspondentie en het arbeidscontract van referent. Omdat het besluit summier is gemotiveerd en het onduidelijk is op welke precieze grond is afgewezen, is het onterecht om eiser en referent niet persoonlijk te horen over de zaak.
Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. Het horen in bezwaar vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit.
In dit geval doet die uitzondering zich voor, waardoor de beroepsgrond niet slaagt. De minister heeft terecht afgezien van het horen in bezwaar, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond is. De rechtbank stelt vast dat eiser verschillende documenten heeft overgelegd met betrekking tot zijn aanvraag, dat de minister deze heeft bestudeerd en vervolgens heeft geconcludeerd dat daarover geen nadere vragen bestonden. De stelling van eiser tijdens de zitting dat in de Marokkaanse cultuur arbeidscontracten en/of medische documenten niet of niet op dezelfde wijze worden opgesteld als in Nederland, betekent niet dat de minister gehouden was alsnog een hoorzitting te plannen en hierover vragen te stellen. Op basis van de beschikbare stukken had de minister een voldoende duidelijk beeld van de economische en sociale binding van eiser met Marokko. Dit alles leidt tot de conclusie dat het bezwaar kennelijk ongegrond is en dat van een hoorzitting mocht worden afgezien.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag voor een visum kort verblijf in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid vanmr. S.M. Hampsink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.