[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. W.R.S. Ramhit),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. P. Loijenga).
Inleiding
1. De minister heeft op 11 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 21 november 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft door het tekenen van een afstandsverklaring afgezien van het recht om op zitting te worden gehoord. Zijn gemachtigde is, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden) 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
(lichte gronden) 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kon worden toegepast.
4. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
6. Eiser heeft geen rechtmatig verblijf. Op 2 juni 2017 is zijn eerste asielaanvraag buiten behandeling gesteld, waarbij ook een terugkeerbesluit is opgelegd. De tweede asielaanvraag is op 30 juni 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond, waarbij ook een inreisverbod is opgelegd. De laatste asielaanvraag van eiser is op 11 november 2025 niet ontvankelijk verklaard. De bewaring is dus op de juiste grondslag opgelegd. Het standpunt van eiser dat niet Nederland maar Duitsland verantwoordelijk is voor zijn asielaanvraag, ligt nu niet ter toetsing voor en leidt daarom niet tot een ander oordeel.
Gronden
7. Eiser betwist alle aan de bewaring ten grondslag gelegde zware en lichte gronden. Verder stelt eiser dat er geen risico op onttrekking bestaat, hij zich beschikbaar houdt en meewerkt aan zijn uitzetting.
8. De rechtbank is van oordeel dat alle in de maatregel genoemde zware en lichte gronden in samenhang gezien en gelet op de motivering in de maatregel, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Ook bestaat voldoende grond voor het standpunt van de minister dat er een risico op onttrekking bestaat. Uit informatie van COa blijkt namelijk dat eiser op 24 mei 2016 en 11 juli 2025 met onbekende bestemming vertrokken en zich dus aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken (3b). Dat hij direct na de Dublinoverdracht vanuit Noorwegen in bewaring is gesteld, maakt dit niet feitelijk onjuist. Aan eiser is daarnaast een terugkeerbesluit opgelegd waar hij geen gehoor aan heeft gegeven (3c). De rechtbank volgt eiser niet in de stelling dat hem dit niet kan worden verweten omdat hij de meeromvattende beschikking niet zou hebben ontvangen. Uit de in het dossier aanwezige ondertekende uitreikingsblad van de beschikking van 30 juni 2025 blijkt dat eiser deze beschikking in ieder geval heeft ontvangen. Ook uit deze beschikking volgt duidelijk de vertrekplicht van eiser. Ook feitelijk juist is dat eiser geen identificerende documenten heeft en zich niet heeft ingespannen hier alsnog aan te komen (3d). Eiser verklaart wisselend over zijn documenten en over zijn nationaliteit. Daarnaast heeft eiser meermaals, waaronder in het gehoor voorafgaand aan de bewaring, verklaard geen gevolg zullen geven aan zijn vertrekplicht (3i). Ook de lichte gronden 4a, 4c en 4d zijn tot slot feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. In de maatregel wordt duidelijk aangegeven aan welke verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb eiser zich niet heeft gehouden. Dat eiser geen strafblad heeft en zijn netwerk zorg kan dragen voor zijn eerste levensbehoeften, is onvoldoende om deze gronden niet tegen te kunnen werpen.
Lichter middel
9. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en de verklaringen van eiser, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Een lichter middel volstaat daarom niet om de uitzetting van eiser te verzekeren.
Eiser heeft verklaard dat hij het psychisch niet meer aankan. Door de minister is eiser erop gewezen dat alle medische faciliteiten in het detentiecentrum Rotterdam aanwezig zijn, mochten zich medische omstandigheden voordoen. De medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra in Nederland is gelijkwaardig aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. De medische omstandigheden van eiser zijn voldoende bij het opleggen van de maatregel betrokken.
Daarnaast overweegt de rechtbank dat eiser geen andere persoonlijke omstandigheden kenbaar heeft gemaakt. De minister heeft alle door eiser aangedragen persoonlijke omstandigheden afgewogen in de maatregel van bewaring. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel op te leggen.
Voortvarendheid
10. De minister heeft op 13 november 2025 een vertrekgesprek met eiser gevoerd en schriftelijk gerappelleerd op de Algerijnse lp-aanvraag. Daarnaast heeft de minister op 14 november 2025 een lp-aanvraag aan de Marokkaanse autoriteiten verstuurd. De rechtbank vindt deze gang van zaken voldoende voortvarend.
Zicht op uitzetting
11. Zicht op uitzetting naar zowel Marokko als Algerije ontbreekt in het algemeen en ook specifiek voor eiser niet. Er is geen aanleiding voor het vermoeden dat de Algerijnse of Marokkaanse autoriteiten geen lp aan eiser zullen verstrekken. De rechtbank stelt daarnaast vast dat eiser niet meewerkt. Alleen daarom al neemt de rechtbank in principe aan dat er zicht is op uitzetting. De enkele stelling van eiser dat hij al geruime tijd in bewaring zit en buiten zijn schuld geen documenten kan overleggen, is onvoldoende voor een ander oordeel.
Conclusie en gevolgen
12. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.
13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.