proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
21 november 2025 in de zaak tussen
[naam 1], eiser,
geboren op [geboortedatum]
van Gambiaanse nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. C.K.E.E. Fischer-Fuhler),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. P. Loijenga).
Inleiding
1. De minister heeft op 15 augustus 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De minister heeft de rechtbank op 11 november 2025 van het voortduren van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 21 november 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten en direct mondeling uitspraak gedaan.
Beslissing
2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en ook geen vergoeding van de proceskosten. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot dit oordeel komt.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst in de uitspraak van 4 september 2025. De rechtbank toetst in dit geval alleen of sinds het moment van het sluiten van het onderzoek op 29 augustus 2025 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Er is geen aanleiding om te oordelen dat zicht op uitzetting naar Gambia in algemene zin ontbreekt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Dat eiser stelt dat er perspectief moet zijn op uitzetting ondanks dat hij niet meewerkt, is daarvoor onvoldoende. Er zijn namelijk geen aanwijzingen dat de Gambiaanse autoriteiten geen lp aan eiser zullen afgeven. Bovendien werkt eiser niet mee. Hij heeft geweigerd te verschijnen voor zijn presentatie bij de Gambiaanse autoriteiten op 21 oktober 2025. Ook heeft hij in meerdere vertrekgesprekken verklaard dat hij niet mee wil werken.
5. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De minister heeft op 15 september, 13 oktober en 12 november 2025 vertrekgesprekken met eiser gevoerd. Daarnaast is op 4 september, 25 september, 16 oktober en 7 november 2025 gerappelleerd op de lp-aanvraag bij de Gambiaanse autoriteiten. Ook is op 12 november 2025 aan de Gambiaanse autoriteiten gevraagd om een nieuwe presentatie in te plannen. Deze gang van zaken vindt de rechtbank voldoende voortvarend.
6. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat het dossier geen aanknopingspunten biedt voor het vermoeden dat het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen de uitvoering van het terugkeerbesluit. Eiser stelt weliswaar dat hij niet terug wil naar Gambia omdat hij problemen heeft met een familie die hem zou achtervolgen, maar wil daar geen verdere vragen over beantwoorden. De minister heeft op de zitting toegelicht dat deze problemen zijn beoordeeld in de laatste asielaanvraag die eiser op 30 juni 2022 heeft ingediend. Deze asielaanvraag is afgewezen op 4 april 2025. Deze afwijzing staat in rechte vast. Omdat eiser verder geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht, is de rechtbank met de minister van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn dat terugkeer van eiser naar Gambia in strijd is met het non-refoulement beginsel.
7. De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het dit onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen en bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 november 2025 door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier en gepseudonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.