RECHTBANK DEN HAAG
Afwijzing machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel
[betrokkene] ,
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaak-/rekestnr.: C/09/694451 / FA RK 25-8526
Datum beschikking: 17 november 2025
Beschikking naar aanleiding van het op 12 november 2025 door de officier van justitie ingediende verzoek tot voortzetting van een crisismaatregel, als bedoeld in artikel 7:7 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:
hierna te noemen: betrokkene,
geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
thans verblijvende in de accommodatie GGZ [instelling] te [plaats] ,
advocaat: mr. G.A. Nandoe Tewarie te Den Haag.
Procesverloop
Bij verzoekschrift heeft de officier van justitie verzocht om voortzetting van de op 11 november 2025 genomen crisismaatregel.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- een uittreksel uit de justitiële documentatie;
- een afschrift van de politiemutaties.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 17 november 2025. Daarbij zijn de volgende personen gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
- de psychiater, M. van Teylingen;
- de coassistent, [naam 1] ;
- de verpleegkundige, [naam 2] .
Omdat door de officier van justitie een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig werd geacht en het de rechtbank ter zitting is gebleken dat diens aanwezigheid ook niet noodzakelijk was om tot een inhoudelijke beslissing te kunnen komen, is de officier van justitie niet gehoord.
Standpunten ter zitting
Betrokkene heeft ter zitting naar voren gebracht dat het goed met hem gaat en dat hij geen klachten heeft. Hij had ook geen klachten voordat hij werd opgenomen. Betrokkene geeft aan dat hij wil terugkeren naar zijn huis in Den Haag, waar hij tijdelijk voor iemand anders op het huis paste. Volgens betrokkene is hetgeen in de medische verklaring staat niet gebeurd. Zijn ex-partner heeft de verklaringen over hem afgelegd en hij had niet verwacht dat hier waarde aan zou worden gehecht. Zo lag er volgens hem een stuk glas op de trap in het portiek en heeft hij deze niet in de hand van zijn dochter gedrukt, maar wilde hij haar waarschuwen voor het glas. Wat betreft de koevoet stelt hij dat hij deze wilde verplaatsen in de berging. Op het moment dat hij dit wilde doen, liep zijn dochter binnen. Het cannabisgebruik is volgens betrokkene evenmin een problematische factor. Tijdens de opname heeft hij geen cannabis gebruikt en functioneerde hij goed. De nacht voorafgaand aan de huidige opname had hij bovendien niet geslapen, omdat hij zijn sleutel was verloren. Dit zou volgens hem een verklaring kunnen zijn voor het psychotische beeld dat in de medische verklaring wordt beschreven. De advocaat verzoekt om afwijzing van het verzoek, omdat er niet voldaan is aan de wettelijke vereisten. Er is vanuit de artsen geen overtuiging dat er sprake is van een stoornis, omdat er te weinig aanwijzingen zijn. Betrokkene herkent zich niet in de medische verklaring en stelt dat hij geen gevaar voor zichzelf of anderen is. Verder diagnostisch onderzoek zou disproportioneel zijn. De weerstand tegen medicamenteuze behandeling vloeit volgens betrokkene voort uit het feit dat hij gevoelig is voor medicatie.
De psychiater heeft ter zitting toegelicht dat er op de afdeling geen evidente psychotische kenmerken bij betrokkene worden waargenomen. In gesprekken kan betrokkene echter wel langdradig en warrig overkomen. Zo heeft hij aangegeven dat hij drugs gebruikt om deze uit te testen voor zijn kinderen. Een jaar geleden heeft betrokkene het contact met zijn familie verbroken. Ook heeft hij drie dagen op straat gewoond in verband met een kunstproject, en is hij van mening dat katten kunnen praten. Volgens de psychiater wijzen deze feiten erop dat het een en ander niet helemaal klopt. Door de crisisdienst is een psychose ten gevolge van middelengebruik vastgesteld, maar dit wordt door betrokkene gebagatelliseerd. Volgens de psychiater is een voortzetting van de crisismaatregel verstandig, om het toestandsbeeld verder te kunnen onderzoeken. De onsamenhangendheid en warrigheid in het contact kunnen wijzen op een psychose, maar dit is nog onvoldoende onderzocht. Het kan volgens de psychiater zijn dat er sprake is van een onderliggend psychotisch beeld, maar het kan ook berusten op een misverstand. Een psychose kan niet worden uitgesloten en blijft aannemelijk, mede vanwege de discrepanties in de verklaringen van betrokkene.
Desgevraagd licht de psychiater toe dat op dinsdagavond door de verpleegkundige is genoteerd dat er psychotische kenmerken werden waargenomen. Betrokkene was toen achterdochtig en vertrouwde zijn eten niet. Vanaf woensdag namen de psychotische kenmerken af en vanaf donderdag werden geen psychotische kenmerken meer gezien. Betrokkene werd toen terughoudender en leek niet het achterste van zijn tong te laten zien. Het plan is om verder te onderzoeken wat er precies aan de hand is, zodat kan worden voorkomen dat het toestandsbeeld opnieuw verslechtert.
Beoordeling
Uit het ter zitting behandelde is gebleken dat er op de afdeling geen evidente psychotische kenmerken meer bij betrokkene worden waargenomen. Hoewel de arts heeft gesteld dat het aannemelijk is dat sprake is van een psychose, omdat er voorafgaand aan de opname sprake was van zorgwekkend gedrag, is gedurende de huidige opname geen aanvullende diagnostiek verricht om deze aanname te onderbouwen. De door de arts geschetste mogelijkheden – variërend van een onderliggend psychotisch toestandsbeeld tot een misverstand – bevestigen dat de diagnose nog onvoldoende is vastgesteld.
De rechtbank overweegt dat een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel slechts kan worden verleend indien sprake is van een ernstig vermoeden van een psychische stoornis waaruit onmiddellijk gevaar voortvloeit. Nu de waargenomen symptomen wisselend zijn geweest, de psychotische kenmerken binnen korte tijd zijn verdwenen en betrokkene zich thans stabiel toont, kan op basis van de beschikbare informatie niet worden vastgesteld dat een dergelijk ernstig vermoeden aanwezig is. Daar komt bij dat betrokkene reeds zes dagen opgenomen is en de zorgaanbieder aldus voldoende tijd heeft gehad diagnostiek te verrichten die dit vermoeden zouden kunnen bevestigen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat sprake is van een ernstig vermoeden van een psychische stoornis. Het verzoek om een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel wordt daarom afgewezen.
Beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.J.M. Bellekom, rechter, bijgestaan door S.H. Chang als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 17 november 2025.