ECLI:NL:RBDHA:2025:22593

ECLI:NL:RBDHA:2025:22593, Rechtbank Den Haag, 11-04-2025, NL24.42498

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 11-04-2025
Datum publicatie 28-11-2025
Zaaknummer NL24.42498
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Tussenuitspraak
Zittingsplaats Rotterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Asielaanvraag. Nigeria. Vrees voor vervolging van vanwege politieke overtuiging niet ten onrechte ongeloofwaardig. 15c-situatie in Zuid Kivu. Binnenlands beschermingsalternatief Kinshasa onvoldoende gemotiveerd. Bewijslast bij verweerder. Tussenuitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht zaaknummer: NL24.42498

Tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. D.H. Yabasun),

en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. G.L. Wischhoff).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser stelt van Congolese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1972. Hij heeft op 21 april 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 24 oktober 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

De rechtbank heeft beroep eerst op 7 februari 2025 op zitting behandeld. Hierbij is enkel de gemachtigde van verweerder verschenen. De rechtbank heeft, na contact te hebben opgenomen met de toenmalige gemachtigde van eiser (mr. O. Sarac), de zaak aangehouden om de gemachtigde van eiser in de gelegenheid te stellen de zaak over te dragen aan een andere gemachtigde.

Op 13 februari 2025 heeft mr. D.H. Yabasun zich gesteld als (nieuwe) gemachtigde van eiser.

Eiser heeft op 20 februari en 2 maart 2025 aanvullende gronden ingediend.

De rechtbank heeft verweerder gevraagd te reageren op de (veiligheids)situatie in Oost-Congo. Verweerder heeft hier bij bericht van 10 maart 2025 op gereageerd. Eiser heeft vervolgens op 12 maart 2025 op het standpunt van verweerder gereageerd.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voortgezet op 14 maart 2025. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, F. den Hengst als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

De eerdere asielprocedure

Eiser heeft eerder, op 17 april 2015, asiel aangevraagd. Aan deze aanvraag heeft eiser – kort samengevat – ten grondslag gelegd dat hij lid was van een politieke organisatie en zich inzette voor mensenrechten in Congo. Hij moest echter het land ontvluchten omdat hij onder druk werd gezet door (militante) groeperingen. Hierbij is zijn huis in brand gestoken.

Met het besluit van 1 juni 2015 heeft verweerder ongeloofwaardig geacht dat eiser in de negatieve belangstelling staat van de Congolese autoriteiten en de aanvraag afgewezen als ongegrond. Met de uitspraak van 19 juni 2015 (AWB 15/10798) heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, het beroep van eiser tegen dit besluit ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft op 21 juli 2015 het hoger beroep van eiser ongegrond verklaard. Daarmee staat dit besluit in rechte vast.

De huidige asielaanvraag

3. Eiser legt aan zijn opvolgende asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij wordt vanwege zijn politieke activiteiten beschuldigd van terrorisme in Congo en vreest als gevolg daarvan voor vervolging. Ter onderbouwing van deze vrees heeft eiser verschillende (nieuwe) stukken overgelegd. Volgens eiser is de overgelegde lijst met terrorismeverdachten opgesteld door [persoon A] , een voormalig minister in Congo. Hij vreest bovendien voor vervolging omdat hij heeft meegewerkt aan een interview met een journalist. Deze journalist is vervolgens gearresteerd. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser een kopie van een arrestatiebevel overgelegd.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:

1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. Eisers naam komt voor op een lijst die is opgesteld door [persoon A] ;

3. Eiser heeft een interview gegeven, waarna journalist [persoon B] is opgepakt omdat ze naar eiser op zoek zijn.

Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Verweerder stelt zich echter op standpunt dat de twee overgebleven asielmotieven ongeloofwaardig zijn. Het geloofwaardig geachte asielmotief maakt volgens verweerder niet dat eiser een gegronde vrees heeft voor vervolging of dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade. Omdat het een opvolgende aanvraag betreft, heeft verweerder de aanvraag bij bestreden besluit afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, Vw en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, Vw.

Juridisch kader

5. Het voor deze uitspraak relevante juridisch kader is opgenomen in de bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

De lijst met namen opgesteld door [persoon A]

6. Eiser voert aan dat verweerder heeft miskend dat de overgelegde lijst, waar eiser op staat, wel degelijk door [persoon A] (een voormalig minister) is opgesteld onder het pseudoniem [pseudoniem] . Dat dit dezelfde persoon betreft blijkt uit de overgelegde blogs en artikelen. De personen op deze lijst worden gezocht door de Congolose autoriteiten. Dit blijkt onder meer uit de arrestatie van ‘ [naam] ’, die op de lijst staat vermeld.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de overgelegde lijst daadwerkelijk afkomstig is van [persoon A] . Eiser stelt weliswaar bewijsstukken te hebben overgelegd dat [pseudoniem] een pseudoniem van [persoon A] is, maar uit de in bezwaar overgelegde blogs en artikelen kan niet duidelijk worden afgeleid dat dit dezelfde persoon betreft. Er worden uitsluitend op basis van stijl- en taalovereenkomsten conclusies getrokken over de ware identiteit van de opsteller van de lijst. Deze blogs en artikelen zijn bovendien onvertaald en niet op echtheid te controleren. Eiser heeft ook niet op een andere wijze aannemelijk gemaakt dat de lijst afkomstig is van [persoon A] . Hierbij komt dat, mocht [pseudoniem] dezelfde persoon zijn, dat nog steeds niet aannemelijk maakt dat de lijst authentiek is en vervolgens betekent de enkele omstandigheid dat eisers naam voorkomt op een lijst niet dat eiser alleen al daarom gevaar loopt bij terugkeer. Dat [naam] gearresteerd is en dat zijn naam voorkomt op de lijst, maakt het voorgaande niet anders. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat [naam] is gearresteerd omdat hij op de lijst voorkomt. De beroepsgrond slaagt niet.

Interview door journalist [persoon B]

7. Eiser voert aan dat verweerder hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij is geïnterviewd door een journalist ( [persoon B] ). Deze journalist kwam aan zijn gegevens via de discussiegroepen waar eiser lid van is. Het voelde daarom vertrouwd om een interview af te geven aan de journalist. Het kan eiser vervolgens niet worden verweten dat hij niet meer kan verklaren over het al dan niet uitzenden van het interview. Eiser heeft immers vanuit Nederland geen toegang tot Congolese radiostations. Hij herinnerde zich tijdens het gehoor weliswaar niet welk radiostation hem heeft geïnterviewd, maar heeft dit in de correcties en aanvullingen rechtgezet. Als gevolg van dit interview is de journalist gearresteerd. De advocaat van de journalist heeft eiser verteld dat dit het gevolg was van het interview.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over het interview dat hij zou hebben gegeven aan de journalist. Eiser stelt namelijk tijdens het nader gehoor op 18 oktober 2024 dat hij niet wist wie de journalist was, hoe de journalist aan zijn gegevens was gekomen en voor welk radiostation hij werkzaam was. In beroep stelt eiser dat hij de journalist kende van de discussiegroep waar hij lid van was en dat het voor hem daarom vertrouwd aanvoelde. Die niet aannemelijk gemaakte stelling komt echter geenszins overeen met wat eiser heeft verklaard tijdens het nader gehoor en kan daarom niet afdoen aan die verklaringen. Op basis van die verklaringen – eiser heeft namelijk geen stukken overgelegd die onderbouwen dat het interview heeft plaatsgevonden – heeft verweerder het ongeloofwaardig kunnen vinden

dat eiser zou meewerken aan het interview met de journalist. Vooral nu eiser kennelijk wel voorzichtig is in zijn doen en laten, aangezien hij stelt dat hij kort na het interview zijn mobiele nummer heeft veranderd.

Het door eiser overgelegde arrestatiebevel betreft een kopie van een arrestatiebevel dat is uitgevaardigd jegens ‘journalist [persoon B] ’. Verweerder heeft terecht aan eiser tegengeworpen dat het vreemd is dat op het arrestatiebevel niet de volledige naam van de journalist staat vermeld. Eiser verwijst weliswaar naar voorbeelden van arrestaties, maar uit die voorbeelden blijkt niet dat de arrestatiebevelen in die gevallen ook onvolledige gegevens hebben bevat. Eiser heeft ter zitting nog verklaard dat er geen goede bevolkingsregistratie is en dat hij daarom mensen bij de naam noemt die zij zelf gebruiken. Verweerder heeft hierover echter kunnen opmerken dat de praktijk van het dagelijks leven van een andere orde is dan een arrestatiebevel. Het overgelegde krantenartikel kan eiser ook niet baten, nu verweerder terecht aan eiser heeft tegengeworpen dat het artikel significant anders is opgemaakt dan de andere artikelen op de overgelegde krantenpagina en dat dit artikel via internet niet is terug te vinden, terwijl de andere artikelen wel zijn teruggevonden (in de krant La Prospérité), zodat getwijfeld wordt aan de authenticiteit van het artikel. Dat eiser dit artikel heeft ontvangen van een advocaat in Congo kan zo zijn, maar doet niet af aan de terechte conclusie van verweerder dat hier geen bewijswaarde aan kan worden toegekend. Bovendien is niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat eiser is geïnterviewd door [persoon B] , dus zelfs als het arrestatiebevel echt zou zijn, is niet aannemelijk gemaakt dat eiser hierdoor zelf risico loopt om vervolgd te worden bij terugkeer. De beroepsgrond slaagt niet.

15c situatie in Zuid-Kivu

8. Eiser wijst ten slotte op het gegeven dat verweerder volgens zijn thans geldende beleid1 aanneemt dat er in Oost-Congo (Noord-Kivu, Zuid-Kivu en Ituri) een situatie heerst zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn, waarbij sprake is van de hoogste mate van willekeurig geweld. Nu eiser uit Zuid-Kivu afkomstig is, zou hij bij terugkeer een reëel risico lopen op ernstige schade in de zin van artikel 3 EVRM. Bovendien is er geen sprake van een binnenlands beschermingsalternatief in Kinshasa. Uit openbare bronnen blijkt immers dat in Kinshasa sprake is van discriminatie en mishandelingen van personen afkomstig uit Oost-Congo.

9. Verweerder heeft zich – desgevraagd – op het standpunt gesteld dat eiser weliswaar afkomstig is uit een gebied waar sprake is van een 15c-situatie, maar dat er in zijn geval een binnenlands beschermingsalternatief is in Kinshasa. Eisers asielrelaas is immers ongeloofwaardig geacht en zijn vrees voor ernstige schade is daarom enkel te wijten aan de situatie in Zuid-Kivu. Eiser voldoet aan de voorwaarden opgenomen in paragraaf 11.5.2 van WBV 2024/12. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zich niet zou kunnen vestigen in Kinshasa. Hij heeft daar eerder gewoond.

10. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit niets heeft opgenomen over de situatie in Oost-Congo en dat niet is getoetst aan artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Dit terwijl verweerder reeds per 1 juli 2024 in zijn beleid heeft opgenomen dat in de provincie waar eiser uit afkomstig is de hoogste mate van willekeurig geweld heerst in de zin van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder geen aanvullend besluit heeft genomen. Al om deze redenen

1. WBV 2024/12, zie bijlage.

kleeft aan het bestreden besluit een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met wat is aangevoerd in de brief van 10 maart 2025 en ter zitting niet alsnog voldoende onderzocht en gemotiveerd waarom aan eiser een binnenlands beschermingsalternatief kan worden tegengeworpen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

In paragraaf C2/3.4 van de Vc is omschreven dat verweerder een ander gebied in het land van herkomst aanneemt als vlucht- of vestigingsalternatief als het – kort gezegd – gaat om een gebied in het land van herkomst waar de vreemdeling geen risico loopt op vervolging of voor daden als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw óf toegang heeft tot bescherming. Daarnaast moet de vreemdeling op veilige en wettige wijze kunnen reizen naar en toegang kunnen verkrijgen tot dat gebied van het land van herkomst en moet van de vreemdeling redelijkerwijs kunnen worden verwacht dat hij zich in dat deel van het land vestigt.2 Verweerder heeft ter zitting in essentie volstaan met het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij risico loopt op ernstige schade of vervolging in Kinshasa, maar verweerder heeft hiermee niet kenbaar aan de hand van zijn beleid beoordeeld of aan eiser een binnenlands beschermingsalternatief kan worden tegengeworpen. Bovendien miskent verweerder met dit standpunt dat de bewijslast voor het tegenwerpen van een binnenlands beschermingsalternatief in eerste instantie niet bij de vreemdeling, maar bij de minister ligt.3 Verweerder heeft niet aan die bewijslast voldaan en heeft enkel gesteld dat eiser eerder (in 1996) in Kinshasa heeft verbleven en daar geen risico loopt op een schending van artikel 3 van het EVRM, terwijl eiser op – of eigenlijk vóór – zijn beurt meerdere omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit volgens hem zou volgen dat Kinshasa niet kan worden tegengeworpen als beschermingsalternatief. Verder heeft verweerder wel gesteld dat eiser voldoet aan de specifieke voorwaarden voor het tegenwerpen van een beschermingsalternatief in Congo, genoemd in paragraaf 11.5.2 van WBV 2024/12, maar heeft hij dit onvoldoende toegelicht, mede in het licht van wat eiser naar voren heeft gebracht.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat verweerder onvoldoende is ingegaan op de voorwaarden die gelden voor het tegenwerpen van een vestigingsalternatief. Verweerder dient dit alsnog te doen. Bij de alsnog te verrichten beoordeling of een deel van het land van herkomst aan die voorwaarden voldoet, moet rekening worden gehouden met de algemene omstandigheden in dat deel, en de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling. Hierbij dient verweerder in elk geval de door eiser in deze procedure aangevoerde omstandigheden te betrekken.

Rechtmatigheid terugkeerbesluit

11. Eiser voert ten slotte nog aan dat verweerder ten onrechte in het bestreden besluit heeft volstaan met een verwijzing naar het terugkeerbesluit van 1 juni 2015. In dat terugkeerbesluit is namelijk geen land van terugkeer opgenomen. Verder heeft verweerder ten onrechte geen geactualiseerde beoordeling gemaakt van het risico op refoulement.

Uit de uitspraak van de Afdeling van 2 juni 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1155) volgt dat de staatssecretaris het ten onrechte niet noemen van het land van terugkeer in een eerder besluit kan herstellen door alsnog een terugkeerbesluit te nemen waarin hij wel vermeldt

2 Zie bijlage.

3 Uitspraak van de Afdeling van 9 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:42 r.o. 5.1.

naar welk land de vreemdeling moet terugkeren. Uit deze uitspraak volgt ook dat een aanvullend besluit achterwege kan blijven indien uit de motivering van het eerder genomen terugkeerbesluit ondubbelzinnig blijkt dat de staatssecretaris heeft vastgesteld uit welk land de vreemdeling afkomstig is, dat hij verwachtte dat de vreemdeling naar dat land zou terugkeren en dat er in de terugkeerprocedure op geen enkel moment onduidelijkheid bestond over het land waarheen hij zou moeten terugkeren.

Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het terugkeerbesluit van 1 juni 2015 aan de voorwaarden zoals die uiteen zijn gezet door de Afdeling in de hiervoor genoemde uitspraak. Zo maakt het terugkeerbesluit onderdeel uit van een meeromvattende (asiel)beschikking. Weliswaar komen Zambia en Zimbabwe (als landen waar eiser enige tijd heeft gewoond) ook een aantal keer voor in dat besluit, maar van enige verwarring over naar welk land eiser terug moest keren kon geen sprake zijn. In dat besluit is namelijk door verweerder uitgebreid beoordeeld of eiser risico loopt op vervolging door de autoriteiten van Congo bij terugkeer naar Congo (en niet naar Zambia of Zimbabwe). Verder staat in het besluit vermeld dat eiser de Congolese nationaliteit heeft. In het terugkeerproces bestond ook geen onduidelijkheid over het land van terugkeer, nu uit het een bericht van IOM blijkt dat op enig moment sprake was een mogelijke (vrijwillige) terugkeer naar Congo. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.

De rechtbank zal het oordeel over eisers pas ter zitting naar voren gebrachte beroepsgrond over het niet verrichten van een geactualiseerde beoordeling van het risico op refoulement aanhouden tot de einduitspraak. De vraag of eiser een reëel risico op refoulement loopt bij terugkeer naar Congo is namelijk verweven met wat hiervoor is overwogen over artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn en een eventueel vestigingsalternatief. Het is aan verweerder om in het nog te nemen besluit een geactualiseerde beoordeling te verrichten van het risico op refoulement bij terugkeer naar Congo zoals volgt uit het arrest Ararat.4

Tussenconclusie en geschilbeslechting

12. Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft verweerder het bestreden besluit niet zorgvuldig genomen en niet deugdelijk gemotiveerd. Het bestreden besluit is dus genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en moet worden vernietigd.

Op grond van artikel 8:41a van de Awb beslecht de rechtbank het haar voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan zij het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan

een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen en opnieuw – met inachtneming van het daarvoor geldende juridisch kader - te beoordelen of eiser een vestigingsalternatief kan worden tegengeworpen. Hierbij is van belang dat toepassing van de bestuurlijke lus eraan kan bijdragen dat deze procedure sneller wordt afgerond.

4 Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892.

De termijn waarbinnen verweerder het gebrek dient te herstellen, is afhankelijk van het nader onderzoek dat hij wil verrichten. Het staat verweerder vrij om eiser aanvullend te horen over de feiten en omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling. Indien verweerder hiervoor kiest, krijgt verweerder na deze tussenuitspraak tien weken de tijd om een aanvullend besluit te nemen, waarbij eiser in de gelegenheid moet worden gesteld om correcties en aanvullingen op het rapport van het aanvullend gehoor in te dienen. Indien verweerder eiser niet aanvullend wil horen, wordt van verweerder verwacht dat hij binnen zes weken een nieuw besluit neemt. Daarna zal de rechtbank bepalen hoe de procedure wordt voortgezet en partijen daarover informeren.

De rechtbank verzoekt verweerder om binnen twee weken aan eiser en de rechtbank bekend te maken of hij gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Als verweerder van deze gelegenheid geen gebruik maakt, doet de rechtbank in beginsel zonder nadere zitting einduitspraak.

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat betekent ook dat zij over de proceskosten nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr.

L.D. Osborne, griffier.

BIJLAGE

Paragraaf C2/3.4 van de Vreemdelingencirculaire:

Binnenlands beschermingsalternatief

Bij de beantwoording van de vraag of een vreemdeling bescherming in Nederland nodig heeft tegen dreigende vervolging of daden als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b, Vw, beoordeelt de IND of de vreemdeling in het land van herkomst een beschermingsalternatief heeft om zich in een ander gebied in het land van herkomst aan deze dreiging te onttrekken.

De term beschermingsalternatief is een verzamelterm voor het vlucht- of vestigingsalternatief. Bepalend voor het gebruik van deze termen is de dreiging waartegen deze alternatieven voor de vreemdeling bescherming bieden.

De IND gebruikt de term vluchtalternatief bij bescherming van de vreemdeling tegen dreigende vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag.

De IND gebruikt de term vestigingsalternatief bij bescherming van de vreemdeling tegen daden als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b Vw.

De IND neemt aan dat een ander gebied in het land van herkomst op grond van artikel 3.37d VV voldoet als vlucht- of vestigingsalternatief als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a. het gaat om een gebied in het land van herkomst waar de vreemdeling geen risico loopt op vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of voor daden als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b Vw óf toegang heeft tot bescherming als bedoeld in artikel

3.37c VV;

de vreemdeling kan op veilige en wettige wijze reizen naar en toegang verkrijgen tot dat gebied in het land van herkomst; en

van de vreemdeling kan redelijkerwijs worden verwacht dat hij zich in dat deel van het land vestigt.

Ad a.

Naast het vereiste dat de dreiging in het andere gebied niet mag bestaan, is het ook van belang dat de vreemdeling in het andere gebied geen nieuwe dreiging zal ondervinden. Als het aannemelijk is dat de vreemdeling in het andere gebied ook heeft te vrezen voor vervolging of voor daden als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw dan beoordeelt de IND of de vreemdeling bescherming kan inroepen tegen de dreiging in dat gebied.

Als de dreiging in een bepaald gebied een gevolg is van een situatie van willekeurig geweld vanwege een internationaal gewapend conflict als bedoeld in artikel 15c van richtlijn 2011/95/EU en niet gerelateerd is aan individuele, persoonlijke vrees, kan de vreemdeling afkomstig uit dat gebied zich onttrekken aan deze dreiging door zich te vestigen in een

plaats gelegen buiten het hier bedoelde gebied. De voorwaarden genoemd onder b en c voor het tegenwerpen van een vestigingsalternatief blijven onverminderd van toepassing.

Ad b.

Het gebied moet vanuit Nederland daadwerkelijk bereikbaar zijn. Daarnaast moet het gebied op legale en veilige wijze kunnen worden bereikt.

Ad c.

De bescherming die de vreemdeling in het gebied krijgt, hoeft niet dezelfde te zijn als de bescherming die de vreemdeling in Nederland zou hebben gekregen.

De vreemdeling moet zich in het gebied kunnen vestigen en een leven kunnen leiden onder omstandigheden, die naar plaatselijke maatstaven gemeten als normaal zijn aan te merken. De vreemdeling mag in het betreffende gebied niet achtergesteld worden in de uitoefening van essentiële rechten ten opzichte van de overige bevolking. Daarnaast mogen de levensomstandigheden in het betreffende gebied in zijn algemeenheid niet zodanig zijn dat dit op zichzelf al kan leiden tot een humanitaire noodsituatie.

Dat de omstandigheden in het gebied minder gunstig zijn dan in het oorspronkelijke woongebied van de vreemdeling is voor de IND onvoldoende reden om geen vlucht- of vestigingsalternatief tegen te werpen.

De IND beoordeelt aan de hand van de over het land van herkomst beschikbare nauwkeurige en actuele informatie uit relevante bronnen of een vlucht- of vestigingsalternatief in de individuele zaak van de vreemdeling aanwezig is.

In het landgebonden asielbeleid kan de staatssecretaris het bestaan van een binnenlands beschermingsalternatief op basis van de beschikbare nauwkeurige en actuele informatie uit relevante bronnen met inachtneming van de genoemde voorwaarden van tevoren vaststellen dan wel uitsluiten voor:

•vreemdelingen uit een gedeelte van dat land waarbij de dreiging in dat gebied een gevolg is van een situatie van willekeurig geweld vanwege een internationaal gewapend conflict als bedoeld in artikel 15c van Externe link:richtlijn 2011/95/EU; of

•een bepaalde bevolkingsgroep.

WBV 2024/12

Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3°, Vw als bedoeld in paragraaf C2/3.3.3 Vc

In Congo DRC is sprake van de hoogste mate van willekeurig geweld (meest uitzonderlijke situatie) in de provincies Noord-Kivu, Zuid-Kivu en Ituri.

Bescherming

Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc

De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties:

• LHBTIQ+; en

• minderjarigen (jongens en meisjes) en vrouwen, die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor (seksuele) geweldpleging.

Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc

De IND neemt voor Congo DRC geen binnenlands beschermingsalternatief aan, als de IND heeft geconcludeerd dat de vreemdeling op basis van de vreemdeling zelf betreffende omstandigheden een gegronde vrees heeft voor vervolging dan wel ernstige schade.

De IND neemt voor Congo DRC een binnenlands beschermingsalternatief in Kinshasa aan als de vreemdeling aan alle volgende voorwaarden voldoet:

• de vreemdeling is afkomstig uit een gebied waarvan in paragraaf C7/10.4.1 Vc is vermeld dat er sprake is van de meest uitzonderlijke situatie is; en

• de vrees van de vreemdeling is niet gebaseerd op de vreemdeling zelf betreffende omstandigheden, maar is alleen een gevolg van de meest uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3.3 Vc.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?